Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

administratie te zijn ingedommeld en van de toebereidselen niets te hebben bemerkt. Bij gelegenheden, dat men hem niet tot medeplichtige maakte aan het vergrijp, was dit altijd het geval.

Ping! ping! ping!!!

— Schip ahoi! Rhodeso aan boord! Vijf glazen! _ roept Franssen, die Amerikaansche reizen achter den rug had, en juist een Hulstkamp naar binnen werkt — alle hens aan dek! Stevige bries! met den kop in den wind! Roer recht! De mail!

Vijf uur in den namiddag, zeggen we in den avond, want de flauw licht gevende gaspitten branden. Franssen heeft zich geloodsd in het kabinet van den neef, om, na een half uur toevens, terug te komen.

Dacht ik het niet — zegt hij —van den brief aan Leuterboer is maar een derde weer goed. Een vroegertje vandaag. Hij moet aan Plantanus nog beginnen. Gauw aan den slag. Wacht: eerst een proppie. Kom, Jingo, waar zit je met je bakje? Zoo... hup Cato! Wat is dat? ah ... Piet Hengelaar, ben j'ei weer?

— Meneer Glazenkamp, hoe staat u met de facturen ? Schiet u op?

— Ja, meneer.

Meneer de Jingo, hoeveel kisten gaan er?

— Dezen keer maar drie, meneer.

Met zenuwachtige gejaagdheid vliegt de kapitein weer naar zijn hut. Vijf minuten verloopen. Jan Karper was in het café „De oude graaf" destijds gewaarschuwd, hij was attent gemaakt op de „herrie" eener mail. Hij legt zijn horloge uit, om nauwkeurige aanteekeningen te kunnen houden in zijn scheepsjournaal, terwijl de Rhodeso hevig werkt, met gereefde zeilen tegen den wind, in den opge-

Sluiten