Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stoken storm. Als bootsman staat Verkerker bij het gangspil, de kopieerpers, en reikt ijverig postzegels aan. Links en rechts vliegt de scheepsjongen, hij brengt inmiddels een gedeelte pakketten weg en keert ijlings terug. Men hoort den eersten stuurman, Jingo, als een bezetene hameren aan de kisten in het ruim. De hand van zwaar matroos Franssen, snelt als een automobiel over het papier. Kapitein weer aan dek:

— Is er aan het lijstje gedacht voor den superintendent van onderwijs?

— Jingo is er mee bezig — zegt Verkerker, die zijn best doet zeer „geaffaireerd" te blijken.

— Roep Jingo! — luidt het bevel.

— Kom, meneer Karper, u die niets uitvoert, je hebt veel van een passagier. Haast u wat, loop naar beneden en roep meneer Jingo! Je zit hier maar te hannessen! — snauwt Hengelaar hem toe.

— Karper loopt den wind dood tegen de deur, opent die met een ruk.

— Jingo! Jingo! — schreeuwt hij tegen het huilen van weer en wind. — Aan dek! kapitein roept.

Jingo klautert ademloos naar boven.

— Het lijstje voor Cellié? Waar is het lijstje? Schiet je op, Jingo?

— Op mijn lessenaar.

— Dat vraag ik niet — stampt de kapitein — is het klaar? Schiet je beneden op?

— Al klaar — zegt Jingo — maar de schipper wacht. Ik moet naar het vooronder. Jingo plompt als de boer met zijn varkens ') in de diepte van het ruim.

Te midden van het rumoer, het loopen, vliegen links

1) Bruinvisschen, die altijd in scholen zwemmen en potsierlijke sprongen maken op hun tochten door het ruime sop. Noot van den corrector.

Sluiten