Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meester en heet dezen, krachtens zijn attributen, welkom, uit naam van het zich richtend peloton.

En alsof de goden onvoorwaardelijk met den Captain zijn, daar valt gelijktijdig, even plotseling als onverwacht, de muziek in van het Wilhclma van Nassoiaven, en overstemt h;t antwoord, dat van des hoofdmans lippen komt.

Neen . .. maar, Mijnheeren stamelt deze, die

inmiddels, evenals alle aanwezigen, het hoofd heeft ontbloot, en wiens schutterhart levendig is aangedaan — dat is toch

al te kolos...

't Heeft niets te beduiden, waarde neef, — zegt

Franssen, die een weinig is „angeheitert" — het is de stafmuziek van de grenadiers en jagers, die naar Brussel vertrekken voor een militair concours, — en terwijl de trein zich in beweging zet: — daar gaan de jolige snuiters! — roept hij zwaaiend met den hoed, Hip, hip, hoera! — Mijneheeren! Vooruit nu! — beveelt Verkerker — de rijtuigen wachten!

Jan Karper, die intusschen zich van zijne eeretaak heeft gekweten, biedt der Kapiteinsche zijnen arm. Statig marcheert het escorte door de volle wachtkamer, daalt vervolgens het perron af, om, buiten het station gekomen, den zegetocht aan te vangen door de helder verlichte straten van

het weelderig 's Gravenoord.

Langs kruis- en slingerwegen, maar door de drukste wijken, rijdt de stoet van drie tweespannen, in matigen draf. De Gravenoorders staren verbaasd de open rijtuigen aan en vragen zich af wat die geur „om het lijf heeft."

— Dat... zie je niet wat dat is? — zegt een welgedane slagersbaas, den vragenden blik ontmoetend van zijn buurman op de stoep — heb je dien meneer met zijn rooien

snorbaard niet gezien?

— Nou ... en wat zou dat? — oppert de kruienier.

Sluiten