Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mime. Jegens den heer Verkerker was hij de voorkomendheid in persoon, de gentleman van goede huize en, als zoodanig van den aanvang daardoor afstekend bij zijne omgeving — men vergunne mij de ietwat gezochte vergelijking als eene oase in die woestenij.

De heer Brandhout van Eschdoorn was over het geheel genomen, een belangwekkende persoonlijkheid. Als hij ophaalde van zijn ervaringen langs de kronkel- en slingerpaden van een veel bewogen leven, bleek hij te zijn wat de franschman eigenaardig noemt un beau causeur, al hakte hij bijwijlen er wel eens duchtig op los.

— De directeur vraagt hoe ver u is gevorderd met de lange boeken?

Met deze vraag komt, op zekeren morgen, de Jingo zijn collega Jan Karper langszijde. De Directeur, Pieter Hengelaar Junior, was even naar Rotterdam.

— Me dunkt, het wordt hoog tijd, dat daaraan eens een einde komt — gaat hij voort, ziende dat de employéaandeelhouder hem het antwoord schuldig blijft als ik er mij toe zet, en ik neem de bullen mee naar huis, zooals ik trouwens thuis altijd zit te werken, omdat ik nu eenmaal in de zaken opga, dan kom ik 's morgens met den heelen rommel kant en klaar op 't kantoor. Het is een werkje waar ik geen hand om verdraai, maar zoo n langzame „sloomert" als meneer Karper, kruipt als een slak op een regenachtigen achtermiddag en laat niets los

— Dan kleverig vocht — merkt Malslag snedig op.

— Hij zit op zijn werk als een bok op de haverkist — vervolgt de Jingo, ter afwisseling zijner beeldspraak.

— Ja, hij werkt zwaar — meent de ruim zeventigjarige Verkerker, die toch ook een duit in het zakje wil doen — dat komt van zijn leeftijd ... daarom is hij ook

Sluiten