Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

protesteerde hij, in krachtige bewoordingen, tegen de aantijgingen van dezen Jingo, die het er eenmaal op had gezet hem den voet te lichten; die het er op aanlegde, het zoo ver te brengen, dat Jan Karper, uit eigen beweging, zijn hielen zou laten zien. Dat de meester den employé-aandeelhouder zoo maar niet klakkeloos zou ontslaan, daarvan was de Jingo ten volle overtuigd. Wat zijn heer en gebieder openlijk niet aandurfde, dat zou hij bestaan.

Maar de heer Verkerker kon geen vrede hebben met het zelfstandig optreden van Jan Karper, die hem, den onfeilbaren administrateur — en het zou de eerste maal niet zijn — op een flater had betrapt.

— Meneer — zoo begon hij — als u niet verkiest te zwijgen, verzoek ik u het kantoor te verlaten.

— Zwijgen zou hier lafheid zijn, meneer Verkerker, antwoordde Jan Karper. — De Jingo is een man, dien ik op het kantoor als mijns gelijke moet beschouwen, maar met wien ik liefst niet in aanraking kom, evenmin als ik gehoorzaam ontzag kan hebben voor wien zijne partij kiest, tegen beter weten in. Ringstar, de kantoorjongen, die vóór Malslag hier was, heeft ons, toen hij heenging „een bende" genoemd. Ik zeg het hem na. Adieu!

Het Thekel = gewogen maar te licht bevonden, begon duidelijker vormen aan te nemen.

Sluiten