Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bestaan der Rhodeso-Neerlandica, dat beslissend zijn moet voor haar naaste toekomst. Het zijn wakkere mannen die beide hens. Zie hen van hun bovenkleeding ontdaan, de gespierde armen ontbloot, zware lasten tillen, waarvoor gewone bootwerkers zouden zijn teruggedeinsd. Zij nemen het leeuwenaandeel in dien nobelen wedstrijd voor de eer en roem der Rhodeso, bij de machteloosheid van een Jan Karper, wien het ten eenenmale faalt aan lichaamskracht en geestkracht evenzeer. Het is een grootsche aanblik, die beide flinke mannen te zien zwoegen, onder het neerdrukkend gewicht eener zware kast, die zij met inhoud en al de kronkeltrappen aftorsen, een onhandelbaar kantoormeubel, dat de gewichtige documenten inhoudt der roemrijke maatschappij, en uit dien hoofde alleen aan zulke krachten en goede zorgen is toevertrouwd. Loonend is het dan ook na volbrachten arbeid door schoone vrouwenhand den klaren Schiedammer in wijnglazen te worden „gekredenzt", waarbij de Jingo den wensch uit, dat het „voor zijn part" alle dagen verhuisdag moge zijn.

En Jan Karper, wat voert hij uit? Ziet hij dat alles maar zoo werkeloos aan? Neen, waarde lezer, evenals elk vogeltje zingt naar dat het gebekt is, zoo werkt ook hij dien dag als sjouwerman, maar op zijne wijs. De lichte vrachten blijven voor zijne rekening. Hij onttakelt de kachels en kachelpijpen; neemt de stoelen op, met de deelen van des hoofdmans schrijfbureau; ontbloot de wanden van de reclamekaarten en esthetische artikelen; hij sleept de massa, in voorbeeldigen wedijver met Malslag, den kantoorjongen, hem bij herhaling als toonbeeld en leering voorgehouden, met zich-zelf overtreffenden ijver naar beneden, in de gereedstaande tapissière, aan de straat. Bij een dezer bedrijven betrapt hem, als bij toeval langs den weg komende, zijne wederhelft; zijn Gravenoordsche dienstjuffrouw trouwens

Sluiten