Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man met een der commissarissen van de Riiodeso, Jan Karpers individualiteit ter -sprake komende, de toeziende voogd, op eene afkeuring door den directeur van Karpers werkmanswaarde, geantwoord had: „Och, als hij anders goede hoedanigheden bezit, kunnen we 't wel met hem doen!" —

Het onwillekeurig afhooren van deze uitspraak (een feit, dat de Jingo zich haastte zijn meester onverwijld ter kennis te brengen) kon er nog door, al was het verzachtend oordeel op zes meter afstand, met gesloten deuren, door den betrokkene gehoord. Maar toen, een achttal dagen vóór het aanvaarden van des hoofdmans Erholungsreise terwijl deze er op uit was zich een Murray en een Hendschell als gidsen aan te schaffen, een kapitein der Gravenoordsche schutterij den heer Verkerker, op hoog bevel, kwam aanzeggen, namens den kolonel-kommandant, dat de aanwezigheid van kapitein Pietro Annesto Hengelaar junior, als artillerie-kommandant, bij de instructie eener speciale vuurlijn, in de ophanden evolutiën niet kon gemist worden, het aangevraagd verlof mitsdien niet voor inwilliging vatbaar was — toen ook deze minder welkome mare tot de ooren van het mispunt Jan Karper bleek te zijn doorgedrongen, en de Jingo zijn rapport ervan had gemaakt, werd, om hem het gehoorvermogen voor goed te doen vergaan, een formeele klopjacht op den geëmploieerde-aandeelhouder, namens den artillerie-hoofdman, gedecreteerd. Bij de gezichtsverzwakking, veroorzaakt door het voortdurend duister, het halve licht, waarin hij genoodzaakt was te werken, zocht Jan Karper steeds de voor een wijle leege plaats van een der collega's op. Had dit den hoofdman te voren reeds gehinderd, na het hier geboekstaafde werd hij telkens door den Albedil opgejaagd, met bevel, zijn hem aangewezen schrijftoestel in te nemen, en geen willekeurig gebruik te

Sluiten