Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rest nu nog aan de vertaling eene lijst toe te voegen van de gedeelten, die aan het Hebreeuwsch, en van degene, die daar waar het Hebreeuwsch ontbrak, aan het Grieksch ontleend zijn. Deze lijst echter volgt afzonderlijk, daar ze in deze inleiding minder tehuis behoort, immers is ze uit den aard der zaak beter voor naslaan dan voor achtereenvolgend lezen geschikt.

Ten slotte mag een woord van vrome en dankbare nagedachtenis in deze voorrede niet ontbreken.

Op het titelblad der vertalingen van 1870 en 1874, telkens bij de Erven Loosjes te Haarlem uitgegeven, stond de beroemde naam van Dr. A. Kuenen, Hoogleeraar te Leiden, vermeld.

Deze naam moet ditmaal weggelaten worden, omdat Kuenen helaas! niet meer onder de levenden is en dus tot deze uitgave niet heeft kunnen medewerken.

In 1891 overleden, heeft hij natuurlijk, wat stellig te betreuren is, zijn critisch oog niet meer over de vertaling uit het Hebreeuwsch kunnen laten gaan, ja, hij heeft niet eens de ontdekking der Hebreeuwsche handschriften , waarnaar hij verlangend uitzag, mogen beleven.

Het is de wensch en de hoop der beide vertalers, dat zij door hun gemeenschappelijk werken, hetwelk veel tijd en inspanning gekost heeft, eene uitgave tot stand brachten, die bijval zal vinden. Allen, voor wie de Hebreeuwsche en de Grieksche Sirach ontoegankelijk zijn, terwijl zij nochtans belang stellen in den inhoud van dit oud, maar altijd lezenswaardig geschrift, zullen

Sluiten