Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV : i2—2i.

12. Die mij beminnen, beminnen het leven,

en die mij zoeken, verwerven welgevallen van den Heer.

13. Die mij vasthouden, vinden eere

en wonen in den zegen des Heeren.

14. Die mij dienen, dienen den Heilige,

en God bemint die mij beminnen.

15. Wie naar mij hoort, woont zeker,

en wie mij gehoorzaamt, woont in mijne binnenkameren.

16. Wie op mij vertrouwt, zal mij ten erfdeel verkrijgen, en zijn nageslacht zal in mijn bezit blijven.

17. Want ik maak mij onkenbaar voor hem,

en eerst beproef ik hem door verzoeking;

moeielijk maak ik het hem met mijne tucht,

en ik tuchtig hem met lijden,

totdat zijn hart vol van mij is.

18. Dan help ik hem weder terecht en openbaar hem mijne geheimen.

19. Als hij van mij wijkt, laat ik hem los,

en geef ik hem prijs aan de roovers.

20. Mijn zoon, let op den tijd, en wacht u voor het kwaad, maar schaam u niet over u zeiven;

21. want er is eene schaamte, die zonde brengt,

en er is eene schaamte, die eere en gunst brengt.

Sluiten