Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXII: 27—XXIII: 3.

27. O, mocht iemand eene wacht voor mijn mond zetten, en een deugdelijk zegel voor mijne lippen,

opdat ik door woorden niet struikele,

en mijne tong mij niet verderve!

XXIII.

1. Heer, Vader en God van mijn leven!

laat niet toe, dat ik er door ten val kome!

HOOFDSTUK XXIII.

Gebed tot God om tuchtiging tot wijsheid en reiniging van zonden. — Waarschuwing tegen het zweren. — Het profaneeren. — Het gedenken van zijne ouders, onder aanzienlijken. — Vermeerdering van zonden bij onreinen en ontuchtigen. — Overspel.

2. Mocht iemand een geesel voor mijne gedachten bij de hand hebben,

en een tuchtroede voor mijn hart,

opdat zij mijne dwalingen niet verschoonen,

en hij mijne overtredingen niet toelate;

3. opdat mijne ongerechtigheden zich niet uitbreiden, en mijne zonden niet vermeerderen;

en ik voor de tegenpartijders niet valle,

en mijn vijand zich niet over mij verheuge!

Sluiten