Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXVII: 22—29.

22. Wie met het oog lonkt, verzint booze dingen, en niemand kan zich van hem losmaken;

23. voor uwe oogen spreekt hij lieflijke woorden,

en uwe reden bewondert hij;

maar later verdraait hij zijnen mond,

en verwekt hij ergernis uit uwe woorden.

24. Vele dingen haat ik, maar niets zoo zeer als hem;

zelfs de Heer zal hem haten.

25. Wie een steen omhoog gooit, werpt hem op zijn eigen hoofd,

alzoo verwondt men door een listigen slag zich zeiven;

26. wie een kuil graaft, valt er in,

en wie een strik spant, wordt er zelf door gevangen;

27. wie onheil smeedt, ziet het op zich zeiven neerkomen, en hij weet niet, vanwaar het hem overkomt.

28. De hoon en de smaad der hoovaardigen,

en de wraak zal op hem loeren gelijk een leeuw.

29. Wie zich verheugen in den val der braven, worden gevangen in een strik,

en de smart verteert hen vóór hunnen dood.

Sluiten