Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXIX : 7—18-

7. Om zulk eene boosheid keeren velen zich af,

uit vreeze om buiten hunne schuld beroofd te worden;

8. maar heb gij geduld met hem, die in nood zit,

en laat hem uit barmhartigheid den tijd;

9. trek u om het gebod den arme aan,

en zend hem, naar hetgeen hij behoeft, niet ledig heen;

1 o. verlies liever uw geld ter wille van een broeder en vriend, en laat het onder een steen niet roesten tot verderf;

11. besteed uwen schat naar de geboden des Allerhoogsten, en meer dan goud zal hij u nut doen;

12. leg in uwe schatkamer de aalmoes weg,

dan zal zij u uit allen nood verlossen;

13. meer dan een sterk schild en meer dan eene krachtige lans, zal zij voor u in 't aangezicht des vijands strijden.

14. Een goed man spreekt voor den naaste borg,

maar wie zijn schaamtegevoel verloren heeft,

laat hem in den steek.

15. Vergeet de gunstbewijzen van uwen borg niet,

want hij gaf zich zeiven voor u.

16. Een slecht mensch richt de goederen van den borg te grond,

17. en wie ondankbaar van hart is, laat zijnen redder in den steek.

18. Borgspreken richtte vele gegoeden te gronde,

en bewoog hen als eene baar der zee;

mannen van vermogen deed het verhuizen,

en onder vreemde volken zwierven zij rond.

Sluiten