Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XXX : 10—19

1 o. lach niet met hem, opdat gij geene smart met hem lijdt, en aan het einde met de tanden zult knarsen;

11. geef hem geen macht in zijne jeugd,

en verschoon zijne gebreken niet.

12. Buig zijn hoofd zoolang hij jong is,

en verbrijzel zijne lendenen zoolang hij klein is,

opdat hij niet halsstarrig worde en tegen u opsta, en door hem u geen zielsverdriet geworde.

13. Tuchtig uw zoon en maak zijn juk zwaar,

opdat hij in zijn onverstand u niet slecht behandele.

14. Beter een arme, die gezond van gestel is,

dan een rijke, die geslagen aan zijn lichaam is.

15. Een gezond leven stel ik boven fijn goud,

en een vroolijk gemoed boven paarlen.

16. Geen rijkdom gaat den schat van een gezond lichaam te boven,

en geen goed een vroolijk hart.

17. Beter de dood dan een treurig leven,

en de eeuwige rust dan aanhoudend sukkelen.

18. Gaven, uitgestort voor een gesloten mond,

zijn als een offer voor een afgodsbeeld.

19. Waarom offert men den goden der heidenen,

die niet eten en evenmin ruiken?

Zoo is hij, die rijkdom bezit,

maar die er geen genot van heeft.

Sluiten