Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XLI : i—XLII : 14.

De dood. — De kinderen van zondaren. — De zorg voor een goeden naam. — Waarover de mensch zich schamen moet, waarover niet. — Eens vaders bezorgdheid over eene lichtzinnige dochter. — De boosheid der vrouw.

1. O dood! hoe bitter is het aan u te denken voor den man, die rustig op zijne plaats leeft;

den man, die tevreden en in alles voorspoedig is, en nog in staat te genieten.

2. O dood! goed is uw besluit

voor den man, die treurt en die krachteloos is; den man, die struikelt en zich tegen alles stoot, die mismoedig is en de hoop verloren heeft.

3. Vrees niet voor den dood, uw lot,

bedenk dat de eersten en de laatsten er in deelen.

4. Dit is de beschikking over alle vleesch van Gods wege, hoe zoudt gij dan de wet des Allerhoogsten verachten? hetzij men duizend, honderd of tien jaren leeft,

in het doodenrijk kan men geen verwijt van het leven maken.

5. Een afschuwelijk kroost zijn de kinderen der boozen, en een goddeloos geslacht huist in de woning der slechten.

6. Den zoon des goddeloozen wordt de heerschappij ontnomen, en de armoede is blijvend bij zijn nageslacht.

Sluiten