Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LI : 2—9.

en uit de macht der onderwereld hebt Gij mijn voet verlost. Gij hebt mij gered van den geesel der lastertong,

en van de lippen der logenachtige verraders;

tegenover mijne vijanden stondt Gij mij bij.

3. Gij hielpt mij, naar de grootte Uwer goedheid,

uit den strik dergenen, die op mijnen val loerden, en uit de macht dergenen, die mij naar 't leven stonden, uit vele nooden, die mij troffen;

4. uit het dreigen der vlam rondom mij,

uit den gloed van een vuur, dat niet aangeblazen is;

5. uit de diepte van den afgrond zonder water,

van goddelooze lippen en van hen, die mij leugens aanwreven,

6. en van de pijlen der verraderlijke tong.

Mijne ziel naderde den dood,

en mijn leven de diepten der onderwereld.

7. Ik wendde mij naar alle kanten, maar er was niemand die hielp, en ik zag om naar bijstand, maar daar was er geen.

8. Toen gedacht ik 's Heeren barmhartigheid,

en Zijne goedheid, die van eeuwigheid is;

Hij die uitredt degenen, die op Hem vertrouwen,

en die hen verlost van alle kwaad.

9. En ik verhief van de aarde mijne stem,

en van de poorten der onderwereld bad ik om hulp.

Sluiten