Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leerde van zeldzame scherpzinnigheid, met een op zijn terrein nagenoeg onbegrensd weten, een man verder begaafd met kunstgevoel, met een fijne opmerkingsgave, een zeldzaam combinatievermogen, en toch zou ik niet durven verzekeren dat Biiandes in staat geweest zou zijn om populaire wetenschap te schrijven voor den inlander. Wel zoude iemand als Abdul Rivai de opmerking mogen maken: „Gij regeering van Nederlandsch Indië en van Nederland besteedt honderdduizenden elk jaar voor geleerde taalstudiën, voor het onderhoud der oudheden, voor ethnologische musea, voor wetenschappelijke natuurkundige onderzoekingen, gij subsidieert allerlei vereenigingen, die in deze richting werkzaam zijn, maar het komt alles slechts ten goede aan de Nederlandsche wetenschap, aan de Nederlandsche geleerden. Waar zijn de gelden besteed om populaire wetenschap, om algemeene kennis te verspreiden onder de alphabeten uwer bruine onderdanen." En nu weet ik wel dat zoo een lid der Tweede Kamer zich eens wilde opwerpen om deze vraag te stellen aan den Minister van Koloniën, dat die dan antwoorden zou met de fondslijst van werken verkrijgbaar bij het departement van onderwijs, eeredienst en nijverheid, en deze zoude dan dienen als bewijs dat er wel iets geschiedt. Maar

Mei 1907) dat men, om een volk te leeren kennen, diens taal moet spreken. Nu is liet kennen der taal wel een machtig hulpmiddel om de ziel van het volk te doorgronden, toch kan men ook zonder dit slagen, en verder mag men vooral de regel niet omkeeren: dat wie de taal kent ook het volk kent. Om het zieleleven van een volk te leeren kennen is in de eerste plaats iets anders noodig, wat ik vooreerst slechts wil omschrijven met „fijne voelhorens" zooals Augusta de Wit die tooDde te bezitten, toen zij zonder de taal te kennen een boek schreef als „De godin die wacht".

Sluiten