is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wij hadden anders den verrader verrast en overtuigd; maar nu wij den vijand van binnen verjaagd hebben, moeten wij ook hen, die buiten staan, verdrijven."

„Ik verlang niets liever," zeide Luitmar: „zij zullen ondervinden, dat het niet zoo gemakkelijk gaat als zij denken."

„Voorzichtig!" zeide Forteman: „uw Franken zijn er nog niet! Vergun mij even te onderzoeken, of de bende talrijk is. — En gij, Okko! ga intusschen de krijgsknechten te gemoet en breng hen hier."

Dit zeggende, beklom hij zelf den muur en zette zich op de plaats, die zooeven door Trazamundus verlaten was. Hij ontdekte weldra eenige zwarte gedaanten, die zich over den weg en onder den muur bewogen: een enkele stond eenigszins afgezonderd van de overigen: en deze, den muur een weinig naderende, riep met een zachte stem Forteman toe: „kunnen wij de ladder aanbrengen?"

„'loef nog een oogenblik!" antwoordde deze: maar het gerucht der naderende krijgsknechten van Luitmar hoorende, bukte hij over den muur en riep: „thans is het tijd! haast u!"

Terstond werd een ladder tegen den muur gezet en vyf of zes gewaponden beklommen dien, terwijl de overigen zich gereed hielden te volgen. Forteman liet hen bedaard naderen; maar zoodra de voorste man de bovenste sport bereikt had, rees hij plotseling op, gaf dezen een stoot in de borst, die hem achterover deed tuimelen, greep de ladder met beide handen aan, schudde die met zooveel kracht, dat zij die er op stonden naar beneden vielen, en trok toen de ladder naar zich toe.

„Verraad!" riepen zij, die beneden stonden.

„Loopt naar de hel, die gij verdient," schreeuwde Luitmar, zich terzelfder tijd niet zijn volgers op den muur vertoonende: „dacht gij ons te verrassen? Men heeft u misleid, schelmen die gij zijt! en gij zult er noch heden, noch immer binnenkomen."

De aanvallers stonden een wijl verlegen; maar den muur wel verdedigd ziende, waanden zij zich door ïrazamundus bedrogen en dropen langzaam af.

„Die ellendigen!" riep Luitmar: „en het is die gevloekte Trazamundus, die hen wilde inhalen?"

„Stil!" zeide Forteman: „zij zullen vooreerst hun aanslag niet hervatten; maar wachten wij ons, den listigen Longobard aan te klagen, zoolang wij geen sterker bewijs tegen hem hebben. Hij zou stoutweg ontkennen: en hoewel ik de overtuiging bezit, dat niemand dan hij zooeven hier gezeten was, zou men mij tegenwerpen, dat ik mij kan bedrogen hebben, of dat zijn tegenwoordigheid alhier nog geen genoegzaam blijk opleverde, dat hij met de aanvallers in verstandhouding was."

.Op dit oogenblik deed zich de stem hooren van den man over wien zij spraken, en Trazamundus, hen naderende, sprak hun op den natuuriijksten toon mogelijk toe:

„Hoe nu!" zeide hij: „zijn het de waardige Paladijn en onze wakkere Graaf Luitmar, die hier op de muren staan? Mij dunkt ik hoorde