is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij heeft liier nog aanhangers," zeide de Abt: „en hat ware misschien gevaarlijk geweest, de zaken met hem tot het uiterste te drijven. Vaartwel, mijne Heeren! Ik behoef u do veiligheid dezer plaats niet aan te bevelen; maar volgens de berichten, die ik bekomen heb, geloof ik niet, dat wij dezen nacht voor nieuwe aanvallen te vreezen hebben: en morgen, hoop ik, zullen wij versterking bekomen."

Aldus afscheid van de aanvoerders genomen hebbende, keerde da Abt naar het paleis en bevond zich weldra bij den Jood terug: „uw tijding was echt," zeide hij: „en ofschoon de voornemens onzer vijanden reeds verijdeld waren, eer ik van uw onderrichting gebruik konde maken, ben ik u toch dank verschuldigd. Welk loon begeert gij voor uw moeite?"

Geen ander," antwoordde Izaak, „dan dat gij mij bij den gewonden Paus geleidt, opdat ik oordeele of zijn wonden te genezen zijn."

„Gelooft gij in staat to zijn, hem te'herstellen?" vroeg de Abt met blijdschap.

„Het is alleen de Heer, die gezondheid geeft," antwoordde Izaak : „maar ik zal zien wat ik verrichten kan. Breng mij bij den gewonde."

De Abt achtte het nutteloos eenige verdere ondervragingen ta doen: hij rees op, nam een licht van den wand, en den Jood een wenk gevende, hem te volgen, ging hij hem voor tot in het vertrek, waar de zieke gelegen was. De duisternis, welke hier heerschte, —■ want men vreesde dat het licht de gewonde oogen des Pausen pijnlijk zoude aandoen, belette in het eerst dat men Amalazwinthe zag, die naast het rustbed zat, terwijl twee van haar juffers op eenigen afstand in slaap gevallen waren: en een oude monnik aan een tafel een verzachtend vocht stond te mengen bij den flauwen schijn eener zoo goed mogelijk verborgen lamp.

„Ik breng u een heelmeester," fluisterde de Abt tegen Amalazwinthe, die bij zijn komst was opgerezen.

„Heeft de zieke gerust?" vroeg hij, naderende.

De Jonkvrouw schudde treurig het hoofd: en men hoorde inderdaad aan het pijnlijk, schoon flauw gekerm van den lijder, dat de rust verre van zijn sponde verwijderd was.

„Heilige Vader!" hernam de Abt, den Paus naderende: „voor uw rustbed staat een Joodsche heelmeester, die zich vleit, u van nut te kunnen wezen. Alle andere geneesheeren hebben geweigerd te komen. Wilt gij zijne diensten aanvaarden?"

Een flauwe knik met hot hoofd was het eenige bewijs dat de gewonde gaf van deze toespraak verstaan te hebben.

„Z. Heiligheid staat het toe," zeide de Abt tot Izaak: „zie wat gij doen kunt."

De Jood begon met veel voorzichtigheid de windsels los te maken, die de oogen bedekten: en het licht er bij brengende, zag hij zich de oogleden pijnlijk sluiten. Hij opende die wederom één voor één en beschouwde den appel en het nog bloedende oogvlies; waarna hij, voorloopig een sluier over de oogen werpende, opdat het licht den lijder niet langer hinderen zoudo, de tong beschouwde. — Da