Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

-?!1, Amalazwinthe hielden gedurende dit onderzoek aandachtig den blik op hem gevestigd, verlangende op zijn gelaat te lezen, wat zij te hopen of te vreezen hadden; maar de wezenstrekken des heelmeesters bleven onveranderd: en na volbrachte beschouwing be^af hij zich zwijgend naar de tafel.

„Ik zie het," zeide Amalazwitithe, die hem zuchtend gevolgd was • „gij wanhoopt aan de genezing."

„Integendeel!" zeide Izaak: „ik zal met Gods hulp don lijder herstellen." r J

„Gij?" zeide broeder Servaas, de monnik, die aan de tafel stond en die zich verwonderde, dat een Jood een taak durfde aanvaarden, die hij geen kans zag met vrucht ten einde te brengen."

„Ik zelf!' zeide Izaak: „maar op ééne voorwaarde."

„En welke?" vroeg de Abt: „zij zou al zeer moeilijk te vervullen moeten zijn, indien wij haar niet toestonden."

„Dat gij mij vier en twintig uren met den lijder alleenlaat," — antwoordde Izaak.

»U! — onmogelijk!" zeide de Abt, hem wantrouwend aanziende.

„Ciij hebt slechts te kiezen," hernam de Jood op een koelen toon: „wat ik doe, geschiedt alleen uit menschenliefde: en het staat aan u, van mijn diensten al of niet gebruik te maken."

„Bedenk, welke verantwoording gij op mij laden zoudt, indien ik dit gedoogde," zeide dc Abt.

„hen Jood meester over het hoofd der Christenheid!" zuchtte Servaas.

Amalazwinthe zeide niets; maar haar in tranen zwemmend oog zag beurtelings den Abt en Izaiik aan, als wilde zij hun wederzijdsche toegeeflijkheid inroepen.

„Gij spreekt van verantwoordelijkheid," zeide Izaiik: „maar vergeet gij die, welke op mij rust? Ik ben immers in uwe macht: en gij kunt met mij handelen gelijk gij goedvindt, indien het blijkt, dat ik uw vertrouwen misbruikt heb."

„Gij hebt gelijk," zeide de Abt: „maar toch! "

„Dat Z. Heiligheid zelve beslisse!" zeide Amalazwinthe: en terstond zich naar de sponde begevende, droeg zij het voorstel van Izaak aan den lijder voor. — Wat dezen betreft, in zijn zwakken toestand had hij nauwelijks het vermogen van het voor en tegen te overwegen: zijn veege ziel hechtte zich alleen aan de kans, die eenige hoop aanbood, en even flauw als de vorige reize gaf hij door een hoofdknik zijn toestemming.

„Gij ziet het," zeide de Jonkvrouw tot Wirundus.

„Het zij zoo!' zeide deze: „God vergeve ons, zoo wij kwalijk handelen: wij volgen onze beste inzichten."

„Ik zal u alleen verzoeken," zeide Izaak, die, zoodra hij den Abt bereid zag zijn verzoek toe te staan, het groene zakje, 'dat hij bij zich had, geopend en daaruit een klein kistje gehaald had, hetwelk waarschijnlijk medicijnen bevatte, „dat gij iemand in het naaste vertrek laat, zoo ik hulp behoeven mocht.'1'

„Ik zelve zal er blijven," zeide Amalazwinthe: „gij hebt slechts op het beschot te tikken en ik zal bij u zijn."

Sluiten