is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Sij weder om te hangen. Een wakkere wapentuur moet niet den ag het bed uit."

„Neem het mij niet kwalijk," zeide Okko, zich achter de ooren krabbende: «vrouwendienst gaat voor heerendienst, naar ik wel eens heb hooren zeggen: en zoo gij wist, waar ik den tijd heb doorgebracht, en waarom ik eerst zoo laat ter ruste ben gegaan, zoudt gij mij mijn verzuim wel ten goede houden."

„Hoe nu!" riep Forteman: „hebt gij den nacht met liederlijke vrouwen doorgebracht? hoe langer hoe fraaier! iemand, die eerst den dag te voren de geestelijke tucht ontkomen is!"

„Liederlijke vrouwen!" herhaalde Okko, „dat de H. Maagd u de zonde vergeve: — neen, dat niet. — Ik beken, het is een zonderlinge geschiedenis; maar ik geloof, dat ik er mij niet onaardig uit gered heb — en u geen ondienst gedaan."

„Maar verhaal dan! wat hebt gij uitgericht?" vroeg Forteman, bezorgd dat Okko deze of gene dwaasheid had begaan.

„Wel!" zeide Okko: „nadat gij u gisteravond te slapen gelegd hadt, was ik het Paleis uitgegaan, met het voornemen om mij naar de woning hierover te begeven, waar men mij mijn slaapplaats had aangewezen. Gij weet, ik moest dien grooten steenklomp voorbij, dien men hier een obelisk noemt, en ik bleef eens het lompe ding bekijken, al denkende bij mij zeiven, wat toch wel het oogmerk kon geweest zijn, zulke gevaarten te bouwen, waar geen schepsel eenig nut van trekt."

,'tls wel! spaar mij uw overpeinzingen. Ter zake."

„Wel, terwijl ik daar zoo sta, komt van achter do obelisk een vrouwelijke gedaante te voorschijn, die mij toewenkt. — Nu! dat is mij te Rome wel eens meer gebeurd."

„Ik wil het gaarne gelooven; maar vervolg zonder al die aanmerkingen."

„Of zij mooi of leelijk was, kon ik bij den nacht niet onderscheiden; maar dewijl er door elkander gerekend, meer leelijken dan mooien zijn, wilde ik de kans niet wagen, en vervolgde mijn weg zonder om te zien. Maar dat maakte de rekening van de Juffer niet uit: en nauwelijks had ik tien stappen voorwaarts gedaan of ik zie haar weder van achter een steenen beeld voor den dag springen: en wip! daar stond zij voor mij en hield mij tegen. — Wie denkt gij dat het was?"

„Hoe wilt gij dat ik het rade?" zeide Forteman wrevelig: „ken ik uw Romeinsche schoonen?"

„Bij den baard van Koning Radbout! Het was geen Romeinsche schoone: ja zelfs in 't geheel geen schoone: en ik verschrikte niet weinig, toen ik, daar juist het licht uit een der vensters op haar gelaat viel, de afzichtelijke tronie zag van.... gij raadt het niet, nietwaar?"

„Neen, voor den Satan!" riep Forteman: „O. L. Vrouwe houde het mij ten goede, dat ik den morgen met een verwensching begin. — Maar maak toch een einde aan uw dwaas nachtavontuur.

„Een einde! — en ik ben nog nauw begonnen! — Welnu! Het