is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wa9 — ik dacht eerst, dat het de Booze zelf ware, die zich verkleed had — het was een zwarte meid, zoo waar als ik hier sta."

„Do slavin van de Jonkvrouw!" zeide Forteman, met eenige meerdere belangstelling.

„Ziet gij — ik dacht wel dat gij het raden zoudt. — Maar ik herkende haar zoo dadelijk niet: en in den stelligen waan, dat het een verzoeking van den boozen Vijand was, kruiste ik mij, en riep bij mijn best: Vade retro Satanas! — pak u weg, leelijk Apenbakkes! excommunicabo; — maar al om niet. Zij gaf er net zooveel om als niets en lachte en grijnsde vervaarlijk, en liet mij een dubbele rij zien van tanden zoo wit als die van een bunsing en even scherp ook, geloof ik: — en meteen greep zij mij bij de hand: — ik moet erkennen dat zij zacht vel had."

„Is uw geschiedenis haast uit?" vroeg Forteman, in drift: — „ik heb meer te doen dan naar dergelijke dwaasheden te luisteren."

„Het belangrijkste zal zoo meteen komen. — Toen zij mij, gelijk ik zeide, bij de hand greep, wilde ik mij van haar losrukken: maar zij trok mij voort en wees met zulk een drift naar het Paleis en stampte zoo ongeduldig op den grond, dat ik niot wist, wat ik er van maken moe9t. „Wat is er toch?" vroeg ik: „is er iemand, die mij noodig heeft, of is er onraad?" Maar och! antwoord kreeg ik niet; en zij wees mij op haar grooten mond en maakte een geluid als een krolsche kat: hetwelk, geloof ik, zooveel zeggen wilde als dat zij stom was."

„Arme ongelukkige!"

„Wel! toen dacht ik bij mij zeiven (want ik had eindelijk ontdekt wie ik voor mij had): misschien heeft zij een boodschap van haar meesteres. — Zot genoeg vau deze, om haar boodschappen te laten doen door menschen die niet spreken kunnen."

„Ik heb u verzocht, mij uw aanmerkingen te sparen," zeide Forteman, met een gramstorigen blik.

„Kort en goed dan: — ik werd nieuwsgierig, en zoo besloot ik te zien, waar die zwarte meid mij brengen zoude, terwijl ik bij mij zeiven zwoer, dat ik mij gedragen zou als Jozef, ingeval zij eens de rol van Potifars huisvrouw met mij spelen wilde. Doch ik had haar verkeerd beoordeeld, gelijk gij hooren zult. Zij leide den vinger op den mond, als wilde zij mij het stilzwijgen opleggen. Ja, dacht ik, dat is een nuttelooze vermaning; want er zal wel van zelf tusschen ons geen zwaar onderhoud plaats hebben. — Zij ging voort, en ik volgde haar: wij traden het Paleis door een achterdeur in: toen ging het trap óp, trap af, verscheidene gangen door, totdat wij eindelijk voor een gesloten deur kwamen, waar zij aantikte. Na een oogenblik toevens ging die open: zij wenkte mij, binnen te treden, en ik bevond mij in een smaakvol vertrek, tegenover haar meesteres, de schoone Amalazwinthe."

„Wat zegt gij?" vroeg Forteman verbaasd.

„Toen ik haar zoo voor mij zag, raakte ik eenigszins bedremmeld en bleef stilstaan, zonder te durven naderen; want het is geen geringe zaak voor een armen scholier, ja zelfs voor een nieuw-