is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bakken wapentuur, zoo op een geheimzinnige wijze in de tegenwoordigheid te worden gebracht van een Hertogsdochter. .Maar de Jonkvrouw lachte mij minzaam toe, en wenkte te gelijk tegen de zwartin, die mij daarop een duw gaf, als wilde zij zeggen: stap vooruit maar! Toen dacht ik: Okko, mijn vriend, gij zijt een gelukkig sterveling. Ziehier een schoono Vorstendochter, die door uw uiterlijk bekoord is geworden en u gelukkig wil maken."

.Verwaande gek! berstte Forteman uit, terwijl zijn oogen van gramschap flonkerden; maar zich de lippen bijtende dat het bloed er uitkwam, kruiste hij zich de beenen over elkander, en zeide toen met een gedwongen bedaardheid: „ga voort! ik luister."

„Zooals gij wel zegt, Forteman!" zeide Okko: „ik was oen verwaande gele; want in het gansche onderhoud, dat ik met die Jonkvrouw gehad heb, heeft zij geen woord gesproken, dat mijn eerste denkbeeld rechtvaardigen kon: en het was om een heel andere reden, dat zij mij roepen liet."

,En waarover sprak zi) dan?" vroeg Forteman, ademhalende en met klimmende belangstelling.

„Wel! over dien ouden Jood, dien ik medegebracht heb. Ik moest haar van Alpha tot Omega vertellen, hoe ik aan hem gekomen was, en wat mij verder alzoo in Rome gebeurd was."

„Anders niet?" vroeg Forteman, met eenige teleurstelling.

„Jawel! — Ook nog.... maar hoe wilt gij, dat ik alles ordelijk verhalen zal, indien gij mij telkens in de rede valt?"

„Gij hebt gelijk: en ik zie, dat ik zal moeten zwijgen, indien ik iets vernemen wil. Ga voort."

„Tot uw dienst. De Jonkvrouw was zoogoed mij geluk te wenschen wegens mijn nieuw kleed, en had de beleefdheid van te zeggen, dat het mij niet kwaad stond. En toen nam ik, gelijk gij denken kunt, aanleiding om haar nogmaals te bedanken— want zij had mij het

geld gegeven waar ik liet voor gekocht heb En zoo hebben wij

nog wat voortgekeuveld. — Maar door wien denkt gij, dat ons onderhoud is afgebroken geworden?"

„Zeg het maar; ik ben geen liefhebber van raadsels."

„Opeens is een deur achter de Jonkvrouw opengegaan; en daar is uitgekomen — wie? — de Jood Izaak zelf, die met een deftige stem zeide: „de vieren twintig uren zijn verloopen, Jonkvrouw!gij kunt binnentreden." — En toen is de Jonkvrouw haastig opgestaan en met den Jood naar het naaste vertrek gegaan, terwijl de zwarte Ritta mij even geheimzinnig weder heeft weggebracht. Maar het was intusschen mooi laat geworden: en zoodoende heb ik mij verslapen."

„En is dit alles?" vroeg Forteman, wrevelig op zich zeiven dat hij zoo lang geluisterd had, zonder iets te vernemen, dat hem eenig bijzonder belang inboezemde.

„Ja! zoo ten naastenbij," antwoordde Okko, zich pogende te herinneren of hij ook iets vergeten had.

„Maar!" zeide Forteman, zich plotseling een uitdrukking van Okko te binnen brengende: „gij hebt gezegd: gij hadt mij geen ondienst gedaan. Ik zie niet in, wat ik met dat alles te maken heb gehad."