Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

,'tls waar ook," zeide Okko: ,wij hebben ook nog een weinia over Friesland gepraat.' 5

„Inderdaad!"

"■Ja! — De Jonkvrouw vroeg mij, lioe na ik u vermaagschapt was: en toen vroeg zij of gi) groote goederen in Friesland bezat."

ii I1f..'g.ro,ote. goederen bezat!" herhaalde Forteman: „Ja," vervolgde hij, tot zich zeiven sprekende: „groote goederen, macht, aan-

geen Jelijk?"*1 WaW ^ vraagt: — en voorwaar! heeft men „Toen dacht ik," ging Okko voort: „een goed schildknaap moet

lo». i nl'V ZTljni r °P,hou4e,n' ®n een goede Fries de eer van zijn land. Oho Jonkvrouw!' zeide ik zoo: „er is geen Vorstendom 'in geheel Italië, of het zou gemakkelijk kunnen bevat worden in het minste landgoed van myn neef Forteman."

opgefokt FriesIand kan in het Hertogdom haars vaders worden

„Bij den baard van Radbout! Indien zij het niet gelooven wil kan zij»het gaan zien. Toen vroeg zij mij, of gij een fraai slot bezat: — ^a, zeide ik: „het slot van Forteman, of zijn state, gelijk wij zeggen is geen onaardig verblijf, zoo ongeveer in den smaak van dit gebouw' maar bovendien met vier torens voorzien, elk zoo groot als de Burcht van Hadriaan: en het ligt aan den oever van een water, waar de Iiber maar een beekje bij is."

„Driedubbele ezel! ' riep Forteman verstoord: „gij verdiendet dat "Yj v zulke schaamtelooze logens uitspreekt."

„Ik dank u, zeide Okko, droogweg: „ziedaar een eer, die alleen voor Pausen en dergelijke groote Heeren bewaard wordt."

„hn waant gij, dat de Jonkvrouw eenig geloof geslagen heeft aan de dwaze grillen, die gij hebt uitgekraamd ?"

„Om u de waarheid te zeggen, neen; want zij lachte meer dan een9: en, wat mij het meest bevreemdde, toen zij over Friesland begon te praten.. ...weet S'J» of Z!I ooit in ons land geweest is?"

*ii 'J er aan.;" antwoordde Forteman.

„Nu! dan heeft zij er goede narichten van bekomen; want zij sprak van onze gebruiken, van onze landen, van onze moerassen, van onze

van dan ikzeFf"1 8 en ware Seweesi ZlJ wist er, geloof ik, meer

"ri°i hadt gij uw verdiende loon," zeide Forteman.

„Dat had ik; maar één ding scheen zij niet te weten. Zij vroeg namelijk, of er vele schoone vrouwen in Friesland waren?"

„i!,n welk antwoord gaaft gij?"

„Bij den degen van Gondebald, ik was met de zaak verlegen; want de vrouwen, weet gij, hooren niet gaarne andere vrouwen prijzen • i ,)• eu-^IJ echter g.9ed doorgered. Jonkvrouw!" zeide ik: „FriesJand is altijd wegens zijn schoone vrouwen beroemd geweest; maar ik kan er niet over oordeelen; want ik was nog jong toen ik het vernet: en na dit uur zal ik moeilijk een vrouw meer schoon kunnen vinden. — Toen lachte zij weer en vroeg, of ik dacht, dat gij er ook een liefste hadt. OJ

Sluiten