is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIIL

Eenige dagen waren aldus voorbijgegaan, toen Forteman, op een morgen van zijn eenzame wandelingen terugkeerende, het plein voor het Paleis bedekt zag met een talrijken stoet ruiters en rijk gekleede dienaars, die, zoo van 't paard gestapt, hunne met stof en zweet bedekte rossen naar de stallingen geleidden.

„Is de Hertog van Ferrara gekomen?" vroeg hij aan den Hofmeester, die zich midden onder dien hoop bevond, rechts en links bevelen gevende, en niet wetende naar wien eerst te hooren.

„De Hertog zal spoedig hier zijn," antwoordde de Hofmeester: „hij heeft een gedeelte van zijn gevolg vooruitgezonden, gelijk gij ziet: en er is reeds een groot Heer mede gekomen, die zich bij den Heer Abt bevindt."

Nieuwsgierig om te weten, wie die groote Heer kon wezen, begaf zich Forteman naar den Abt. Hij vond hem in zijn vertrek gezeten, zich onderhoudende met een jongeling, die achterover in een leunstoel tegenover hem zat. De nieuwaangekomene bezat een bevallig en innemend voorkomen; zijn gelaatstrekken waren volkomen regelmatig; en zoowel de fijnheid van neus en kin als de vorm der kleine blanke handen kenmerkten een edele geboorte. Gitzwarte lokken, zich in talrijke krullen verspreidende, overschaduwden een welgerond voorhoofd, dat echter, zoowel als de uitdrukking der donkerbruine oogen, eenige trotschheid te kennen gaf. Het gewaad was zwieriger dan zich verwachten liet bij iemand, die van de reis gekomen was: en een menigte ringen en armbanden van kostbare bewerking scheen aan te duiden, dat hij niet slechts een man van aanzien was, maar dit ook wensclite te doen bemerken.

Zoodra de Abt Forteman zag binnentreden, rees hij op: „ik stel u den edelen Niceforus voor," zeide hij, „een bloedverwant der Keizerin, die deze stad bezoeken komt. Jammer maar, dat hij zulk een ongelukkig tijdstip heeft uitgekozen; want Rome is zoo stil als een klooster tegenwoordig en het wettig gezag wordt er miskend."

„O! dat is niets," zeide Niceforus glimlachende: „dat zijn wij te Konstantinopel wel gewend. Men steekt er oogen uit en snijdt e*neuzen af, zoowel als hier."

„Het ware tijd," zeide de Abt, „dat die gruwelen een einde namen, die men eerder bij blinde heidenen en ongeloovigen, dan bij Christenen verwachten zoude. Doch dat daargelaten: edele Niceforus! gij ziet voor u den wakkeren Paladijn Forteman, wiens trouwe hulp zooveel heeft bijgebracht om den opvolger van den H. Petrus aan zijn moordenaars te ontrukken."

Niceforus groette den Fries met een eenvoudige hoofdbuiging, terwijl zijn gelaat een dubbelzinnige uitdrukking aannam; want de eenigszins koele blik scheen in weerspraak met den minzamen glimlach, die op de lippen zweefde. Niet minder koel was de wedergroet

****