Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Forteman; en een onwillekeurige weerzin tegen den Griekschen Patriciër, waarvan hij zieh geen reden wist te geven, sloop van dat oogenblik zijn boezem binnen.

„De Hertog zelf," vervolgde de Abt, „zal nog oenige dagen belet worden zieh herwaarts te begeven. Ik hoop echter, dat hij bij de ontvangst mijner laatste boden de noodzakelijkheid zal gevoelen om zijn afwezigheid niet langer te rekken."

„Ik vlei mij daar insgelijks mede," zeide Niceforus: „hoe spoediger wij hem hier zien, hoe beter. Maar gij hebt mij nog niet gezegd, hoe de toestand des H. Vaders ia."

„Hij bevindt zich nog altijd in groot gevaar," antwoordde de Abt, een geheimen wenk aan Forteman gevende: „in alle gevalle zal hij, naar ik vrees, van het gezicht en de spraak beroofd Dlijven."

„Ik beklaag hem," zeide Niceforus: „hij zal dan, hoe het ook loopt

den Pauselijken zetel niet kunnen blijven bekleeden ik vermeen

dat lichaamsgebreken een reden tot uitsluiting van hooge geestelijke waardigheden zijn."

„De Keizer Justinianus heeft wel zonder neus geregeerd, zeide de Abt, „en het zullen althans des Pausen vijanden niet zijn, die van hun schenddaad voordeel zullen trekken. De wil van mijn Koninklijken meester zal beslissen: zijne wegen zijn die der rechtvaardigheid en men tart zijn gezag niet tevergeefs. — Daarvan gesproten: hebt gij in Konstantinopel den kleinzoon van Koning Dezideer ook gekend?"

„Gij bedoelt Adalgizus?" antwoordde de Griek, terwijl hij zijn haarlokken in orde bracht: „ja — ik heb hem wel ontmoet; maar hij kwam weinig ten hove: hij leeft stil en afgezonderd van het jaargeld, hem door onze doorluchtige Keizerin verstrekt."

„Gij gelooft dus niet, dat hij den troon zijner voorvaderen terugwenscht?" . .

„Zoo hij al wenschen voedt," antwoordde de Patriciër, „weet hij die in zijn boezem te verbergen. Maar wat kan men ook beter verlangen, wanneer men het geluk mag smaken, van in het goddelijke Konstantinopel, onder de schaduw van het keizerlijk purper en verwarmd door de koesterende stralen, die van de zon der Majesteit afschijnen, gerust en onbezorgd, zijn dagen te slijten? Is dat lot niet verkieslijker dan het bekleeden van een wankelenden troon, die, van alle kanten bedreigd, slechts zorg en kwelling baart?"

,Men had aan het hof mijns Konings andere berichten," zeide Forteman: „men meende aldaar, dat hij, even roekeloos als zijn onbezonnen vader, het voornemen koesterde, een aanslag te wagen, ten einde zijn vermeende rechten te doen gelden."

„Wel! ik zal hem daar niet van terughouden," zeide Niceforus: „maar laat Karei op dat punt in vrede slapen. Adalgizus bevindt zich wèl waar hij is: en al voedde hij de voornemens, waar gij van spreekt, waar zou hij goud bekomen om legers te werven, en waar vrienden om zijn pogingen te ondersteunen ?"_

„Het ontbreekt nooit aan ontevredenen," zeide Forteman: „en wie weet niet, tot welke dwaasheden de hoop op een goeden uitslag de

Sluiten