Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wist ik slechts een middel uit te denken, om hem ougemerkt van hier te krijgen."

Terwijl hij hierover stond na te denken, trad een hofbediende binnen, en meldde een bode uit Ostia aan, die belangrijke tijdingen bracht. — Forteman verwijderde zich hierop, en de Abt gaf last, dat men den bode binnen zou geleiden, en vernam van dezen man, die door de Overheid van Ostia was afgezonden, dat twee galeien de haven aldaar waren binnengeloopen, een Gezantschap aan boord hebbende, door den Khalif van Bagdad aan Koning Karei gezonden. Zij hadden een onvoorspoedige reis en veel schade gehad, en bovendien vruchteloos te Syrakuze gewacht op de komst een er derde galei, welke het hoofd van liet Gezantschap aan boord had, en die men vreesde, dat vergaan of door zeeroovers genomen was.

„Hoe langer hoe fraaier!" zeide de Abt tegen Forteman: „de drukten beginnen schoon te vermeerderen: nauwelijks is die Grieksche Patriciër hier, of daar valt mij een troep Arabieren op het lijf. — Doch er zit wel niet anders op, dan die gasten naar eisch te onthalen. Regino! ga aan Graaf Luitmar zeggen, dat ik hem verlang te spreken. — Had ik slechts iemand hier, die mij onderrichten kon, hoe men die ongeloovigen moet behandelen. Ik weet wel, dat zij geen wijn drinken, en dat liet zwijnenvleesch hun een gruwel is, zoowel als aan die blinde Joden....; maar van Joden gesproken.... daar valt mij iets in: die Izaak Ben Manasse heeft te Bagdad gewoond: hij zal mij raad geven. — Dat men dadelijk den heelmeester hier ontbiede."

Eenige oogenblikken daarna trad Izaak het vertrek binnen, en droeg de Abt hem zijn verlangen voor.

„Is het Gezantschap behouden aangekomen?" vroeg de Jood, zonder nog te antwoorden op het verzoek hem door den Abt gedaan. „Geprezen zij do God Abrahams, die mij deze weldaad bewezen heeft!"

„Ja!" zeide de Abt: „zij zijn allen aangekomen, uitgenomen de voornaamste onder hen, die met zijn vaartuig vergaan is; — maar welk groot belang stelt gij daartn, dat gij er u zoo verheugd over toont?"

„Heer Abt!" vroeg de Jood: „heb ik naar eisch mijn taak bij den gewonden Kerkvoogd volbracht?"

„Dat hebt gij," antwoordde de Abt: „en ik zal zorgen, dat gij een vorstelijk loon bekomt, evenredig aan uw goede diensten; maar wat doet dat tot de zaak, waar wij ons thans mede bezig houden?"

„Ik heb geen loon begeerd," hernam Izalik: „maar thans verzoek ik Uw Eerwaarde, mij een blijk uwer goedkeuring te schenken. — Het gunstbewijs, dat ik vorder, is niet zwaar, en ik zal het vergelden door een volledig onderricht omtrent de wijze, waarop die Muzelmannen behandeld moeten worden."

„Wat eischt gij?" vroeg de Abt: „het moest voorwaar al zeer bezwarend zijn, indien ik het u niet toe kon staan."

„Ik begeer niets anders," antwoordde Izaak, „dan dat ik het

Sluiten