is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat het hoofd der Christenheid, ernstig ongesteld zijnde, niet in persoon de gasten des doorluchtigen Konings kon onthalen; terwijl hn niet naliet bij die gelegenheid een zijdelingschen blik op Paschalis en Kampulus te werpen.

Izaiik beantwoordde deze aanspraak met een sierlijke redevoering, waarin hij hoofdzakelijk te kennen gaf, hoe het de zielsbegeerte van zijn meester was, een vaste vriendschap aan te knoopen met Europa's grootsten Vorst, opdat het verbond der twee machtigste beheerschers van het aardrijk zou strekken tot het bevorderen van vrede, eensgezindheid en welvaart in alle gedeelten der bekende wereld.

Nadat het einde dezer toespraak door een luid geschal en getrom der speeltuigen was vervangen, begaf zich de Abt met de Gezanten en met de zoodanigen onder de aanwezigen, die hij daartoe had willen uitnoodigen, naar het Vaticaan. terwijl een sterke wacht den toegang belette aan al wie niet tot de bewoners of gasten behoorde. Aan het gevolg der Gezanten werden geschikte verblijven aangewezen: men richtte een tent in voor den olifant: — en Izaak met de Barmeciden werden met betamelijke plechtigheid naar het Paleis geleid, waar hen een prachtig gastmaal verbeidde, geheel ingericht naar do Oostersche wijze; terwijl aan de andere zijde van de groote zaal, waarin men vergaderd was, de disch voor de Europeesche ge noodigden was opgebracht. Maar toen de Muzelmannen gezeten waren, en men verwachtte dat het hoofd van het Gezantschap zich op de voor hem bestemde kussens zoude nedervlijen, weigerde hij die eer, en zich tot den Abt wendende: „laat men," zeide hij, „mij naar mijn eenzaam vertrek terugbrengen: de Jood Izaak zet noch inet Christenen, noch met Muzelmannen zich aan éénen disch neer."

„Hoe!" zeide de Abt, halfluid: „gij zijt dan toch werkelijk de Jood Izaak? Maar hoe moet ik het uitleggen, dat gij u dus alleen en onbekend in de armoedige woning van uw geloofsgenoot bevondt?"

„Indien gij mij na den afloop van het maal een oogenblik gehoor wilt verleenen," zeide Izaak, glimlachende: „zullen u deze raadsels naar uw genoegen worden opgehelderd. Ik moet u toch ook nog de bewijzen leveren, dat ik werkelijk de Gezant des Khalif9 en geen bedrieger ben."

Terwijl Izaak zich aldus afzonderde, waren de Romeinsche vrouwen, wier rang haar in de uitnoodiging had doen begrijpen, de zaal binnengetreden, en toen verscheen ook, als de schoonste onder de schoonen, de dochter des Hertogs van Ferrara, aan de hand van Niceforus, wiens schitterende dos niet afstak bij de met goud en gesteenten bezaaide kleederen der jeugdige Barmeciden. De Hertog van Nepi, wien onder de aanwezigen de hoogste rang toekwam, noodigde Amalazwinthe uit, zich naast hem te plaatsen, en de Grieksche Patriciër, zonder af te wachten, dat hem een plaats werd aangeboden, wierp zich, als kwam hem zulks rechtens toe, met zijn gewone achteloosheid op den zetel, die aan haar andere zijde stond, zonder zich te bekommeren over twee Bisschoppen en den eersten Consul, die elkander beleefdelijk den voorgang betwistten: ■en. eens gezeten, hield hij zich enkel met zijn schoone buurvrouw