is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leide medegeven en zorg dragen, dat men u overal naar verdienste ontvange. Morgen reeds, zoo gij het verlangt, zult gij op weg kunnen gaan.... en.... maar waarom niet? — Dat zoude een heerlijke gelegenheid zijn. Luister, mijn goede Izaak: ik heb u iets te verzoeken."

En, zich voorover buigende en met een nauwelijks hoorbare stem sprekende, had hij met den Gezant des Khalifs een onderhoud waarvan het gevolg nader blijken zal.

IX.

De gasten, zoowel Christenen als Muzelmannen, hadden reeds een wijl den disch verlaten en zich onder de koele gaanderijen voor het Paleis vereenigd, ten einde aldaar een frisschere lucht te genieten, toen de Abt met Izaak zich weder bij hen vervoegde. Het was een vroolijk en belangwekkend schouwspel, de bonte verscheidenheid gade te slaan, welke die vereeniging opleverde, uit personen van zoo geheel verschillenden landaard, stand en kleeding samengesteld: en met minder zou een gelaatskenner of teekenaar zich verlustigd hebben in het opmerken der contrasten, die de vormen der gelaatstrekken of de kleur van het vel opleverden, en het verschil keuteekenden der rassen, dat toen voorzeker sterker was dan het later door onderlinge vermenging geworden is.

Het gezelschap had zich in verschillende groepen verdeeld: onder de hooge portalen waren de Gezanten des Khalifs, wier deftigheid zich nimmer verloochende, op donzige kussens gezeten en proefden langzaam den sorbet, die hun werd voorgediend, terwijl zij zorg droegen de oogen naar den grond te slaan, zoo dikwijls een der vrouwen hen voorbijwandelde, en zich ergerden over de lichtzinnigheid der Christenen, die niet schroomden, de bekoorlijkheden hunner dochters of echtgenooten aldus aan den onbescheiden blik van een iegelijk bloot te stellen. De jonge Barmeciden daarentegen, minder nauwgezet dan de grijsaards, wandelden onbekommerd voor het Paleis, met de linkerhand op het gevest hunner Moorsche sabels rustende, en de rechter in de zijde of aan den net gekrulden baard: terwijl hun lichtbruine oogen naar alle zijden uitzagen. Onder de gaanderijen, zoowel als in de lanen van den'bloemhof, gingen deftige Romeinen, forsche krijgslieden en statige geestelijken op en neder: sommigen overluid pratende en schertsende- onderen, zich meer afzonderende en met een gesmoorde otem eikanderen toefluisterende, als hadden zij gewichtige zaken te behandelen. Voor het midden van het gebouw, en waar de gaanderij boogswijze vooruitsprong, was