Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amalazwinthe op een fraai gevormde rustbank gezeten: terwijl Niceforus, de Hertog van Nepi en andere aanzienlijke genoodigden een vroolijk onderhoud met baar voerden, en Forteman, tegen een kolom in de nabijheid leunende, een flauwe aandacht schonk aan hetgeen Graaf Luitmar hem met een onuitputbaar geduld verhaalde.

.«Hoe gevalt u Rome, edele Niceforus? vroeg een der Consuls, zich op een antwoord verwachtende, dat de bewondering des reizigers zou uitdrukken.

.Rome is fraai geweest," zeide Niceforus: „maar alles heeft zijn tijd op aarde: men ziet hier meer bouwvallen dan nieuwe gebouwen: — en dan, gij mist hier de heerlijke zeegezichten, waar mijn vaderstad op boogt."

„Gij schenkt dus den palm aan Konstantinopel?" vroeg de Hertog van Nepi.

„Ja," antwoordde Niceforus: „aan de stad; — maar zoo gij van de inwoners 3preekt, zal ik u betuigen, dat ik de Romeinen, en de Italianen in 't algemeen, verre boven de Grieken stel."

Een bevallige hoofdbuiging vergezelde dit verplichtend gezegde, hetwelk, bestemd zijnde om de harten t*» winnen, die hij misschien begreep van zich door zijn tot nog toe gehouden gedrag eenigszins vervreemd te hebben, niet naliet een gunstigen indruk te maken.

„Hoe vleiend uw woorden ook zijn mogen," zeide de Hertog van Nepi: „ik meen die echter alleen aan uw beleefdheid te moeten toeschrijven; want het moet ons allen vreemd schijnen, dat gij, slechts zoo kort alhier gekomen, ons boven uw eigen landgenooten zoudt verheffen."

„Ik trek mijn gezegde niet terug," zeide Niceforus: „ik bemin dit land, en mijn grootste geluk zoude zijn, mij hier voor altijd te vestigen." Dit zeggende wierp hij een smachtenden blik op Amalazwinthe, die den haren nedersloeg.

„Gij zoudt uw eigen land verlaten, om onder den vreemdeling te wonen?" vroeg Forteman, plotseling nadertredende, en Luitmar, die midden in zijn verhaal bleef steken, geheel verbaasd achterlatende.

„Ik zie," zeide Niceforus, wiens voorhoofd zich bij deze onverhoedsche toespraak bewolkte, „dat ik weder een verhoor zal moeten ondergaan. Heer Consul," vervolgde hij: „zoo gij een Praetor noodig hebt, kan ik u den Paladijn aanbevelen. Hij verstaat zich op het ondervragen: en geloof vrij, dat hij den boeven de woorden uit de keel zal halen, daar zelfs een eerlijk man niet vrij is van door hem uitgevorscht te worden."

De omstanders glimlachten en Fortemfn beet zich de lippen; maar spoedig herstelde hij zich, en een stap nadertredende, vervolgde hij zijn rede, als had hij de aanmerking van den Patriciër niet gehoord: „neen!" zeide hij: „ik kan niet gelooven, dat een rechtschapen man, zonder dat, zijn plicht of zijn veiligheid hem daartoe noodzaken, zijn vaderland voor een uitheemsch grondgebied zal verruilen. Eli misschien, edele Heeren! heeft deze betuiging eenig gewicht in mijnen mond. Ik ben niet, als gij, geboren in die landen, •waar de kwistige natuur haar rijkste schatten heeft uitgestort, waar

Sluiten