Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoude gaan, naar de grenzen van Italië te geleiden: en wie wist, wanneer hij terug zou komen? — Zou zij aan den Paus, die haar ongetwijfela dank verschuldigd was, haar hart openen, en hem smeeken, haar voorspraak te zijn? — Hij had voor net eerst weder gesproken, en haar, ofschoon stamelend, zijn innige erkentenis betuigd; — maar neen: gewichtige redenen, die later ontvouwd zullen worden, deden haar gevoelen, dat ook zijne hulp voor het oogenblik nutteloos zijn zoude. — En, onder dit alles, Niceforus bleef op het Vaticaan: zij kon, zonder reden tot ongenoegen aan haar vader te geven, zijn bijzijn niet ontwijken: zij zou hem dagelijks zien en zijn verliefde klachten aanhooren! — O! dit alles vervulde haar ziel met onrust en bekommernis: en zij dankte den Hemel, toen de eerste lichtstralen, in haar vertrek doordringende, een einde maakten aan dezen zno angstvollen nacht.

Zij rees voorzichtig op, zette zich aan het open raam, ademde met wellust de frissche morgenlucht in en wachtte in die houding de komst van haar Juffers. Weldra traden dezen binnen, en stilzwijgend, met blijkbare onverschilligheid, liet Amalazwinthe toe, dat zij haar aankleedden. Nauwelijks was dit geschied, of een Page trad binnen en bracht haar de boodschap, dat de edele Forteman, op het punt zijnde, te vertrekken, de vergunning verzocht afscheid van haar te mogen nemen en te hooren of zij hem eenige bevelen had mede te geven.

Amalazwinthe bleef een oogenblik zwijgend en in dezelfde houding staan, zoodat de Page, wanende dat zij hem niet verstaan had, zijn boodschap begon te herhalen; maar de Jonkvrouw liet hem den tijd niet om uit te spreken. „Zeg aan den edelen Forteman," zeide zij, het hoofd oprichtende en met een vaste stem, die niets van haar innerlijke aandoening verraadde, „dat hij mij in het voorvertrek verbeide. Ik zal hem daar komen vinden."

De Page vertrok, en Amalazwinthe, de zwarte Ritta gelast hebbende haar te vergezellen, begaf zich naar het aangewezen vertrek. Zij vond er Forteman, in hetzelfde reisgewaad, waarmede hij te Home gekomen was. Hij was bleek, zoo bleek als zij zelve: en toen hij haar aansprak, was zijn stem onvast en stamelend.

„Ik hoop," zeide hij, „dat gij mij den stouten stap, dien ik het waag te nemen, zult ten goede houden. Ik zal u spoedig van mijn lastig bijzijn ontslaan. — Maar ik wilde niet van hier vertrekken, zonder te vernemen, of ik u aan Kareis hof, of elders wellicht, van dienst kan wezen."

„Gij verlaat ons dan reeds heden?" vroeg Amalazwinthe, haar ontroering nog altijd pogende te verbergen.

„De Heer Abt neeft mij uitgenoodigd, met hem de Gezanten te vergezellen. En wat zou ik verder hier doen? Mijne rol is uitgespeeld: — nieuwe vrienden zal ik hier niet vinden. Ouder betrekkingen hebben mij sinds lang vergeten."

„Gij bedriegt u, Forteman!" zeide zij, blozende.

„Ik acht mij vereerd," hernam hij, „dat de dochter van den machtigen Hertog van Ferrara zich mijnen naam nog herinnert."

Sluiten