Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tegenwoordige ontzegt. Ik kan uw hand verdienen: ik kan tot waardigheden worden opgevoerd, glansrijker dan uw vader hopen of verwachten kan: niets, dat mij verder in den weg zal staan: geene hinderpalen, of ik zal die te boven komen: ik zal moediger dan ooit, ik zal eerzuchtig zijn; want ik bemin: en de prijs der overwinning is te schoon om het renperk niet met onverschrokken stoutheid in te treden. — En waarom zou ik niet slagen? Wat is des grooten Konings voorzaat anders geweest dan een krijgsman van fortuin, een eenvoudig vrijling? En toch, toen Karei Martel het hoofd ter ruste leide, was hem geen Vorst in macht en aanzien gelijk. — Waart gij onverschillig omtrent mij geweest, ik had mij vergenoegd, u te beminnen, en te zwijgen; maar thans! — ik mag de zoete noop niet buitensluiten."

rVlei u niet," zeide Amalazwinthe, weder tot hare vorige droefgeestigheid vervallende: „ik gevoel, dat het wreed is, uw fuchtkasteelen omver te stooten; maar ik voorzie te goed al het leed, dat ons verbeidt. Mijn vader, ik ben daarvan overtuigd, koestert andere inzichten met mij: de dringende aanbeveling, welke die Niceforus met zich bracht, de vrijmoedige toon van dezen, als van iemand die zeker is van zijn zaak, alles loopt te zamen om mij een voorgevoel te geven van het lot dat mij bestemd is."

„Zoo ik den Koning...."

„Al ware het, dat de Koning om uwentwil van zijn gewoonte afzag, om de macht eens vaders ook in een onderdaan te eerbiedigen, zijne voorspraak zou nutteloos zijn, ja, ik ben daar zeker van. zou mijn vader slechts zonder vrucht verbitteren. En wat mii betreft, ik bezit misschien nog genoeg van de vastheid van wil, die mijn stamhuis altijd gekenmerkt heeft, om het klooster boven een gehaten echt te verkiezen; maar nimmer ook zal ik een huwelijk aangaan, waar mijn vader niet in bewilligt."

Forteman zuchtte en zag voor zich; maar terwijl hij naar nieuwe gronden zocht om Amalazwinthe te overtuigen, trok zij haar hand terug, wischte zich een traan uit het oog, en zeide, terwijl zij hem met welwillendheid aanzag:

„Dit onderhoud heeft te lang geduurd. Wij moeten scheiden. Ik heb reeds te veel naar u geluisterd en mijn plicht overtreden. Ik geloofde mij sterker; — en ik ben voor mijn eigenwaan gestraft. Vaarwel! — zoo wij elkander nimmer wederzien, het zal mij altijd een bron van troost zijn, te hooren, dat het u voorspoedig gaat."

Forteman stond aarzelend voor haar. Nogmaals vatte hij de hand, die hem werd toegestoken en drukte daarop den kus des afscheids, toen de deur zich opende, en de Abt van Stablo het vertrek binnentrad.

„Ik zocht u, Forteman!" zeide hij, verwonderd naar de beide gelieven ziende, die zich ontsteld van elkander verwijderden. „Ik wist niet," vervolgde hij na een poos zwijgens, op een stekeligen toon, „dat gij elkander vroeger p«kend hadt."

„Eer gij vertrekt, schenk mij uw zegen, mijn vader!" zeid» Amalazwinthe, terwijl zij voor den Abt neaerknielde.

B. W. VII. g

Sluiten