is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X.

Het Vaticaan was tot zijn vorige rust en eentonigheid teruggekeerd. De Hertog van Nepi, na de noodige maatregelen genomen te hebben tot verzekering aer rust, was naar zijn Hertogdom weder-

fekeerd, het bevel aan Graaf Luitmar overlatende, die, benevens

.malazwinthe, den monnik Servaas en een paar vertrouwde dienaren, alleen bewust was van des Pausen vertrek, en in last had, dit geheim en eenige andere bevelen, hem door den Abt achtergelaten, aan den Hertog van Ferrara over te brengen. Voor het overige hofgezin, zoowel als voor al de Romeinen, heette het, dat de H. Vader zien nog altijd binnen het Vaticaan en in een zorgelijken toestand bevond, en broeder Servaas, die voor zijn arts doorging, schudde bedenkelijk het hoofd, zoo dikwijls men hem naar den lijder ondervraagde.

Niceforus besteedde zijn tijd tusschen het bezichtigen der merkwaardigheden, welke de stad en de omtrek opleverden, en het gezelschap der schoone Jonkvrouw, die, volgens het door haar opgevatte voornemen, zich gedroeg, als bemerkte zij den indruk niet, dien haar bekoorlijkheden op hem gemaakt hadden, en als hield zij zijn vleiende plichtplegingen en zoete woordies voor een beleefde scherts. Reeds wenschtë zij zich geluk met het door haar gehouden gedrag en begon zij te hopen, dat haar bezorgdheid ijdel geweest was, en dat werkelijk de betuigiugen van den Patriciër niets meer waren, dan hetgeen waar zij die voor houden wilde; want Niceforus begon zich allengskens volkomen naar haren trant van omgang te schikken, beantwoordde haar boert met gelijke munt, schertste wanneer zij het deed, en liet de taal des sniachtenden minnaars voor die des luimigen spotters varen. Deze handelwijze deed hem wederom in gunst komen bij Amalazwinthe: en daar hij veel gezien en ondervonden had, geestig verhaalde, en altijd even vroolijk en opgeruimd was, begon zij allengskens een behagen in zijn gezelschap en onderhoud te vinden, waarop Forteman, indien hij liet bijgewoond had, stellig ialoersch ware geweest.

„Denkt gij uw reizen nog verder uit te strekken dan tot Rome?" vroeg eens Graaf Luitmar aan Niceforus, terwijl zij met Amalazwinthe onder de koele schaduw van het voorportaal gezeten waren.

„Ik weet het niet," antwoordde de jongeling: „het was zeker mijn stellig voornemen; maar ik bevind mij hier te wel, om reeds aan mijn vertrek te denken." Dit zeggende, zag hjj steelswijze naar Amalazwinthe.

„Ik geloof het wel," zeide deze, zijn blik bespeu-ende: „gij zoudt niet overal een gastvrouw vinden, die u vrijheid zou laten, aldus den spot met haar te drijven."

„Zoo er iemand is, die bespot wordt," zeide Niceforus, „dan is het de arme Griek, die hier als een vreemde baan op de werf is aan-