is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

feland, en tot voorwerp van de ongehoordate plagerijen strekt. Maar

eb geduld. Ik begin mij aan de zeden van het land te gewennen: en wanneer ik eens bier gevestigd zal zijn, beloof ik u, dat ik mij niet meer zal laten bespotten."

Terwijl hij dit zeide, fronsten zich de kleine rimpels van zijn voorhoofd op een schier onmerkbare wijze, en gaven een uitdrukking aan zijn gelaat, welke in tegenspraak was met den glimlach, die op zijn lippen stond, en met den schertsenden toon, waarop hij gesproken had. Deze schijnbaar onbeduidende omstandigheid ontging niet aan Amalazwinthe, en weerhield het antwoord, dat zij gereed was te geven.

„Ik had gemeend," vervolgde Luitmar, „dat de edele Niceforus de gelegenheid niet zou verzuimen, om zijn opwachting bij Koning Earel te maken."

„Ik verzeker u," zeide de Griek, „dat ik hartelijk naar hetoogenblik verlang, waarin ik hem ontmoeten zal; maar vooralsnog Kan dit geen plaats hebben, en ik dien eerst de komst des Hertogs af te wachten."

„Mijn vader toeft lang met terug te komen," zeide de Jonkvrouw.

,Het gaat mijn begrip te boven," zeide Luitmar: „het moeten voorzeker zaken van het uiterste gewicht zijn, die hem weerhouden op een tijdstip, dat zijn tegenwoordigheid nier zoozeer gewenscht wordt."

Nog sprak hij, toen zich een trompetgeschal aan een der poorten liet hooren. Alle drie rezen op: hoefgetrappel weerklonk over het plein: verscheidene ruiters kwamen nader: de voorste sprong van zijn ros, en Amalazwinthe lag in de armen van haar vader.

„Gij zijt wel?" vroeg hij, haar met koelheid aanziende, en zich uit haar omhelzing losmakende: „dat verheugt mij: edele Niceforus! ontvang mijn groet: ik hoop, dat men u dit verblijf zoo aangenaam mogelijk gemaakt heeft. — Ook a groet ik, Graaf Luitmar! —Waar is ue Heer Abt?"

„Voor eenige dagen met het gezantschap des Khalifa vertrokken," antwoordde Luitmar.

„Vertrokken!" herhaalde Bohemund, verwonderd: „ik heb van dat Gezantschap gehoord; maar ik dacht niet dat het behoefte had aan het geleide van mijn ambtgenoot. En zeg mij," vervolgde hij, den Graaf bij den arm nemende en zich met hem ter zijde begevende: „hoe is het met den Paus? Leeft hij nog?"

„Hij is insgelijks vertrokken," antwoordde Luitmar: „maar het is nog een diep geheim."

„Ook vertrokken! — Dat de Satan hen allen ; maar wat gij

daar zegt is niet mogelijk!"

„Keurt uw Edelheid net niet goed?" vroeg Luitmar, met verbazing bespeurende, dat deze tijding, verre van den Hertog to verheugen, zijn ontevredenheid scheen op te wekken.

„Voorzeker! Voorzeker!" zeide Bohemund, kortaf: „ik begreep slechts niet, wat ... Maar verhaal mij toch hoe dat heeft plaats gehad! kort en goed: in weinig woorden."