Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had en zoolang alles aan Karei gehoorzaamt? — Wat mij betreft, ik wensch van harte, dat wij zegevieren zonder hun hulp noodig te hebben: men heeft vaak meer last van bondgenooten dan van vijanden: en Irene bewijst geen diensten voor niets: — zij zou tot de oprichting van een Westersch Keizerrijk althans niet gaarne de hand leenen. — Maar zeg mij liever, hoe staat het met Benevent? Van die zijde heb ik betere verwachtingen."

«Hertog Grimoald is bereid," antwoordde Bohemund: „hij heeft slechts tijd gevraagd, om zijn troepen van wapenen te voorzien! doch eer de maand om is, zal hij de grenzen overtrekken."

„IJdele beloften!" zeide Niceforus, het hoofd schuddende: „waarom verklaart hij zich niet terstond? — Die wapening is een ijdele uitvlucht. Alles toont mij aan, dat verder uitstel ons noodlottig zijn moet. Een toeval kan mij doen herkennen: misschien ben ik het reeds: — althans die gevloekte Jood, die zendeling des Khalifs, heeft twijfel gevoed, en het zou mij niet bevreemden zoo hij den Abt verhaalde, dat hij mij in Konstantinopel menigmalen onder een anderen naam ontmoet had. Lekt het geheim uit, dan spoedt zich Karei herwaarts: is het niet beter, hem voor te komen?"

Bohemund zag spijtig voor zich; want het hinderde hem, den stouteri en onvervaarden krijgsman, van gebrek aan voortvarendheid beschuldigd te worden, en dat wel door een in gemak en weelde opgebrachten jongeling, die, zoo hij al inderdaad zoo loom en lichtzinnig niet was als hij scheen, althans niets verricht had in een zaak, welke den Hertog zooveel zorg en zweet veroorzaakt had. — An inderdaad, het was of die beide personen hun rollen verwisseld hadden: en de anders zoo onverschillige Niceforus kon zich geen verklaring geven, hoe hij het was die zijn vriend tot handelen moest aansporen.

„Ik kan toch niet denken," zeide hij eindelijk, „dat de dappere Bohemund den moed zou laten zakken op net oogenblik, dat het er op aankomt het masker af te werpen?"

„Bij al de Heiligen van 't Paradijs!" riep de trotsche Hertog, oprijzende en den Jongeling met een gramsforigen blik aanziende: „elk ander zou dien twijfel aan mijn moed met z}jn leven betalen! — Koning Karei heeft mij zwaar beleedigd; maar hij heeft mij nooit van lafhartigheid beticht."

„Vergeef mij," zeide de Griek, berouw gevoelende over zijn ontijdige vraag: „en beklaag my liever, goede Bohemund! Mijn stamhuis heeft zooveel geleden van ontrouw en verraad, dat ik somwijlen hen verdenk, die mij het cetrouwste zijn."

„Een fraaie verontschuldiging," zeide Bohemund: „gij twijfelt niet aan mijn moed; — maar wel aan mnn getrouwheid. — Maar gij hebt gelijk," vervolgde hij, bitter lachende en met driftig.stappen het vertrek op en neder gaande: „ik verdien dit alles: het is het lot en de straf des afvalligen, dat hij zelfs het vertrouwen met verwerft van hem, ten wiens voordeele hij zijn verraad heeft gepleegd."

.Bij al wat heilig is!" zeide Niceforus, half oprijzende in xijr

Sluiten