is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rustbank: „gaef u toch niet aan zulke dwaze gedachten over, en vergeet de woorden, die mij ontvallen zijn en waaraan gij een hatelijke uitlegging geeft, die ik verwerp. Ik u verdenken'? u, mijn eemgen steun, na al wat gij voor mij hebt verricht? Bohemund! ™L™ti gj niet gelooven. Weet gij dan niet, dat ik u acht, u liefheb als een vader: — en dat ik de kroon nog minder tel dan het voorrecht, u met dien naam te begroeten?"

„Ik^ moet alles wel vergeten, alles wel voor lief nemen wat gij zegt,' zeide Bohemund, een weinig ter neder gezet: .want ik heb u immers eenmaal trouw en bijstand gezworen: en Bohemund breekt zijn beloften niet: — althans hij zal deze niet verbreken," voegde hij er zuchtend bij; want hij dacht aan den eed, eenmaal door hem aan Koning Karei gedaan.

«Maar spreken wij van iets anders," zeide Niceforus: „men had mi) niet misleid omtrent uw bekoorlijke dochter: het gerucht van haar volmaaktheden was slechts beneden de waarheid gebleven. Ik wil zonder haar geen troon bestijgen: Bohemund! zij of geen andere zal mijn gade zijn."

«Hebt gij haar reeds iets gezegd?" vroeg de Hertog, terwijl hij weder plaats nam.

«Nog niets bepaalds," antwoordde Niceforus: ,zij schijnt tot nog toe niet te willen gelooven, dat mijn betuigingen ernstig gemeend zijn."

«Wel! verklaar u dan: of wilt gij, dat ik haar mnn wil te kennen

geef?"

«Neen! nog niet," zeide de Patriciër: „vergun mij eerst de zoete taal der overreding te bezigen, eer gij die van het vaderlijk gezag doet hooren. Ik wensclite naar bezit aan haar liefde en niet aan dwang te mogen dank weten."

„Ik heb geen kennis aan die schoone bewoordingen en fijne gevoelens van het Grieksche Hof," zeide Bohemund. „Ik heb AmaLv zwinthe u toegezegd: en zij zal u huwen."

„Inderdaad," zeide Niceforus, zich zelf met een oog van welgevallen overziende: „ik weet juist niet, welko gewichtige bedenkingen zij tegen dezen echt zoude maken. Zij schijnt noch mijn persoon, noch mijn onderhoud te schuwen: zij is vroolijk en opgeruimd in mijn bijzijn: — en dan, de glans eener kroon, al is

die nog slechts in het vooruitzicht ! Ik zie geen redenen om te

wanhopen: — of zij moest reeds een bepaalde liefde voor iemand gevoelen."

„Gij zoudt u daarover bekommeren ?" vroeg Bohemund, de schouders ophalende.

„Met uw verlof!" zejde Niceforus: „ik ben aan het Grieksche Hof opgevoed, waar de Keizerinnen zich niet ontzien haar eclitgenooten om hals te brengen ten gevalle van haar minnaars: en dat heeft • mij eenigszins omzichtig gemaakt jegens de vrouwen in 't algemeen, fij hebt toch niet bespeurd, dat uw dochter voor iemand een bepaalde genegenheid heeft?"

„Neen!" antwoordde Bohemund, wrevelig: — „en ik heb er mij