is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgebracht, hetwelk op den roem der meest verfijnde beschaafdheid boogt, er vermaak in zou vinden, zonder waarschuwing mij in mijn eenzaamheid te overvallen."

„Ach! verwijt mij deze onwillekeurige daad niet. Ik zag van verre uw wit gewaad door het groene loof glinsteren, en dacht een wjjl een boschnimf te zullen vinden, gelijk aan die, van welke de fabelen onzer dichters gewagen; maar toen ik zoetjes naderde, ontdekte ik met dankbare vreugd, dat het meer dan een nimf, meer dan een godin was, die ik voor mij zag: en hoezeer ik uw gepeinzen eerbiedigde, was het weegaan mii onmogelijk en bleef ik in verrukking den aanblik van uw bekoorlijkheden genieten tot op het oogenblik, dat ik, zonder het te weten, mij verraadde. Zeg mij, waarin ben ik strafwaardig?"

„Ik vergeef u; — maar laat ons van hier gaan," zeide de Jonkvrouw, verlegen rondziende.

„Hoe kunt gij zoo wreed zijn en zoo beminnelijk tevens? Sedert een oogenblik slechts geniet ik uw hemelsch bijzijn: en gij wilt het mij weder ontzeggen?

„Neen," zeide Amalazwinthe, glimlachende: „ik veroorloof u, het elders te genieten; maar niet hier."

„En welke plaats kon meer dan deze geschikt zijn, om u uit te drukken wat mijn hart gevoelt: hier, waar de zon zoo liefelijk door de bladeren speelt, waar het verkwikkend gemurmel der ruischende fonteinen, de geurige walmen der vruchtboomen, alles in één woord ons het bosschage nerinnert, waarin Mars aan de voeten van Venus geknield lag."

„Ik weet niet," zeide Amalazwinthe, schertsende, „of gij veel van Mars hebt; maar ik ben een goede Cbristinne, en begeer niet met uw heidensche Godin gelijkgesteld te worden."

„Neen! ik ben Mars niet; maar ik zou hem in moed evenaren, indien gij, die de heidensche Venus in schoonheid overtreft, mij met een enkelen blik van genegenheid beschouwen wildet: indien ik slechts eenmaal in uwe oogen lezen mocht, dat gij medelijden hebt met een ongelukkige, wiens lot in uw handen is."

„Ik heb inderdaad medelijden met u," zeide Amalazwinthe: „want het is betreurenswaardig, dat gij zoovele schoone woorden verspilt aan iemand, die er zoo weinig van verstaat of onthoudt."

„Helaas!" hernam Niceforus: „waarom veinst gij een luchthartigheid, die buiten uw inborst ligt? Ben ik dan een zoo nietig voorwerp, dat een uwer onwaardige scherts mijn best gemeende uitdrukkingen beantwoorden moet?"

„Bezig liever uw welsprekendheid," zeide Amalazwinthe, „bij iemand die beter op de hoogte is; want, öf het hapert aan mijn onverstand, en dan gaat al dat fraaie verloren: öf," voegde zij er met meerderen ernst bij, „het hapert aan mijn wil: en dan is uw moeite nog meer tevergeefs aangewend."

„Hoe!" zeide Niceforus: „gij zoudt niet kunnen, en niet willen begrijpen, dat ik u onuitsprekelijk bemin; dat ik niets vuriger op aarde verlang dan uw wederliefde: en dat het de schoonste dap