is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Italië door mijn aderen stroomde: indien ik door mijn afkomst uw landgenoot, door mijn rang boven n verheven ware?"

„Dan zou ik zeggen, dat gij ons allen misleid hebt," zeide Amalazwinthe: „mijn antwoord zou hetzelfde blijven."

„Ook dan," hernam hij, „indien ik een Konings-, wellicht een Keizerskroon aan uw voeten kon leggen? — Want reeds lang genoeg heb ik geveinsd: ik ben...."

„Voleindig niet," viel zij hem sidderend in de rede: „maak mij geen deelgenoot van geheimen, die ik niet hooren mag, die mijn plicht zou vorderen, dat ik verraadde."

.«Dat geheim zal het niet lang meer zijn. — Wat scheelt het, of gij het een dag vroeger of later verneemt? — Ja, het is de laatste telg, de erfzoon der Koningen van Lombardije, het is Adalgizus, dien gij voor u ziet."

Amalazwinthe stond een wijl als versteend: „En gij waagt het, Prins!" vroeg zij eindelijk, „u op dit grondgebied te vertoonen, waar uw verderf gezworen is?"

„Ik wist dit," antwoordde hij: „maar alles wil ik wagen, om uw liefde te verdienen."

„En de trawanten van Karei zoeken u: — en de dood waart om uw schreden. — Wee mij, Frins! dat gij om mijnentwille uw bloeiend leven zoudt opofferen: om mij, die ondankbaar en ongevoelig ben voor uw noodlottige teederheid. O! verlaat deze oorden, verlaat Italië, en vergeet mij. In de Staten der Keizerin en onder hare bescherming, kunnen u nog gelukkige dagen verbeiden. Ik zal, ofschoon mijn plicht mij het spreken gebiedt, uw geheim zorgvuldig bewaren: — ik zal zelve uw vlucht bezorgen: ik wil...."

„En ziedaar dan," zeide Adalgizus, met bitterheid, „ziedaar de belangstelling, welke de Koning van Lombardije bij een dochter van Italië ontmoet. In stede van nem de hulde, die hem toekomt, te bewijzen, verzoekt men hem op 't minzaamst, zich zoo spoedig mogelijk te verwijderen. — Maar neen, het is niet om terug te keeren, dat ik de boorden van den Bosphorus verlaten heb. Ik ben hier gekomen, om mijn rechten te doen gelden, de kroon terug te winnen, mij door een verwaten overweldiger ontnomen, de schande van mijn huis, den dood mijns vaders te wreken, en u aan mijn zijde op den zetel, die mij toekomt, te verheffen."

„Om aller Heiligen wille!" zeide Amalazwinthe, de handen wringende: „Prins! wat booze geest, welke dolzinnige raadslieden, hebben u tot deze vermetele onderneming kunnen aanzetten? Wat hoop toch kunt gij voeden? De legers des Konings bedekken Italië. Men is reeds onderricht dat gij verwacht werdt: noe licht wordt uw verblijf verraden: 't kan zijn, dat gij hier medestanders vindt; maar welke macht kunt gij bijeenbrengen, die niet in een oogwenk door Karei zoude verplet worden? — Gedenk aan het lot, dat al zijn vijanden getroffen heeft. Wat is er van den Sakser Wittekind, wat van uw grootvader en vader beiden, van Rotgaud van Frioul, van Abdurrahman, van zoovele anderen geworden, uie hem trotseerden? Ik voed geen liefde voor u, maar ik wil uw vriendin zijn: gij zijt