is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijding, die ik breng, en ik neem uw geheim mede in het graf."'

„Ik dank u voor dit welmeenend aanbod," zeide Adalgizus, zonder zijn onverschillige koelheid te verliezen: „wij inwoners van het zuiden beminnen die dwaze gewoonte niet, welke den Franken zoo dierbaar is, om een leven, dat tot beter einde gebruikt kan worden, in een tweegevecht te wagen. Bovendien: de kans zou niet gelijkstaan: en de Koning van Lombardije kan zijn uitzichten niet in de schaal leggen tegen die van een onbekenden gelukzoeker."

„Koning zonder Koninkrijk!" zeide Forteman: „gij zijt een lafaard; maar gij doet wel, dat gij mij tot mijn plicht terugroept, dien ik 3chier verzaakt had. Ik heb u willen sparen; maar gij dwingt mij, dat ik den mij opgedragen last volbrenge."

„Dat ik geen lafaard ben," zeide Adalgizus, „zal ik u op «taanden voet bewijzen: volg mij naar den Hertog en deel hem in mijn tegenwoordigheid uw fraaie ontdekking mede."

„Daar gij het zelf begeert," zeide Forteman, verwonderd over hetgeen hem een grenzenlooze stoutheid scheen, ,100 zal ik aan uw wenach voldoen."

Anwlazwinthe vestigde haar oogen op den Prins, alsof zij in het diepste zijner ziel wilde lezen. Het kalme en onverschillige voorkomen. dat hij bewaarde, de achtelooze toon zijner stem, zijn bereidwilligheid om naar den Hertog te gaan, alles liep te zamon om haar te overtuigen, dat zijn voorgeven, alsof haar vader in zijn ontwerpen deelde, op waarheid steunde, en dat hij, door Forteman naar den Hertog te willen voeren, alleen teil ioel liad, dezen onschadelijk to maken en te beletten dat hij het geheim aan anderen mededeelde. Gelolterd door dit denkbeeld en door den angst voor Forteman, trad zij tusschen de beide jongelingen in, en zich tot den Fries wendende:

„Ik bid u," zeide zij, „ga nu niet naar den Hertog."

„Gij zijt getuige geweest," antwoordde op een verwijtenden toon Forteman, die, niet wetende wat er in haar hart omging, haar verzoek toeschreef aan het verlangen om Adalgizus te redden, „dat ik uw verzoek niet heb afgewacht om den man, in wien gij zooveel belang stelt, van zijn wis verderf te redden; maar zijn eigene begeerte en mijn plicht stemmen thans overeen: en hoe gaarne ik ook uw wenschen zou bevredigen, ik zie daartoe thans geen mogelijkheid meer."

„Welnu!" zeide Amalazwinthe: „ik zelve zal u vergezellen: en gij zult inzien, Forteman! hoe verkeerd gij mij beoordeelt."

Dit gezegd hebbende, stapte zij met rassche schreden vocruit en nam den weg naar het Paleis, terwijl Adalgizus en de Fries haar zwijgend volgden. Met denzelfden spoed snelde zij de marmeren trappen op en de gaanderijen door, en hield niet eerder stil, dan toen zij aan het voorvertrek van des Hertogs gehoorzaal was gekomen. Daar wendde zij zich om en zeide tot de beide medeminnaars op een gebiedenden toon:

„Blijft! geen voetstap verder. Ik wil mijn vader eerst alleen spreken."