is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rige gunsten uitgewischt, en die bedorven gelijk een drop alsem den besten wijn vergiftigt. — Maar bij had moeten beseffen, dat Bohemund de man met was, die een beleediging verkroppen zoude!"

„En het is, omdat gij hoopt, uw noodlottige wraakzucht te voldoen, dat gij dien nietswaardigen Adalgizus, wiens bestaan men schier vergeten had, uit Griekenland hebt ontboden! — Wat geef ik om een kroon, die met de eer mijns vaders betaald moet worden."

tZwijg! ' zeide de Hertog: „ik heb reeds met te veel geduld naar u geluisterd en uw gebrek aan eerbied en gehoorzaamheid gedoogd. Het voegt geen jonge deerne als gij zijt, de handelingen eens staatsmans te beoordeelen, en nog minder, wanneer die staatsman haar vader is. Maar waar blijft Urbaan?"

De dienaar trad binnen.

„Is mijn bevel volbracht?"

„De Fries is in bewaring genomen," antwoordde de dienaar.

„Hoe, mijn vader!" riep Amalazwinthe, ontsteld: „gij hebt "

«Geen woord meer!" zeide Bohemund op een strengen toon, terwijl hij haar bij den arm greep en de andere band op haar mond legde. — „Bood hij weerstand?" vroeg hij aan Urbaan.

„Dat ware moeilijk geweest," antwoordde deze: „hij verwachtte geen kwaad en wij hadden hem, eer hij er om dacht, een zak over 't hoofd geworpen, die hem het spreken, zoowel als het van zich afslaan belette."

„'t Is wel. — Keer thans naar uw vertrek, Amalazwinthe! en verlaat het niet zonder mijn last. Vergezel de Jonkvrouw, Urbaan! en dat uw gewapenden voor haar deur post vatten en niemand in- of uitlaten. Gaat!"

Met deze woorden wendde hij zich om en keerde naar het vertrek terug, waar de eedgenooten vergaderd waren. Zijn eerste daad was, do deur te openen, en Adalgizus uit te noodigen, binnen te treden.

„Welnu!" zeide deze, nadat hij zich voor de aanwezigen minzaam gebogen had, tegen den Hertog: Tzult gij nu eindelijk gelooven, dat het tijd is, ons te verklaren ? — Al hebt gij den zendeling van Karel doen vatten, het zal bij dezen niet blijven."

„De volgenden zullen hetzelfde lot ondergaan," zeide de Hertog: „maar gij nebt gelijk: geen veinzen baat ons meer: en wij moeten de wraak van Karei weten te voorkomen. Volgens de verzekeringen, welke ik van deze Heeren ODtvang, zal Rome terstond onze zijde omhelzen: een nieuwe Paus zal eerstdaags gekozen worden: en deze (met een zijdelingschen blik op Pasclialis) zal onze bedoelingen niet tegenwerken. Ik heb de benden, welke ik niet vertrouwde, weggezonden en zal de Longobarden wapenen: zij zullen er trotsch op zijn, voor hun Koning te strijden. Graaf Luitrnar, wel is waar, voert nog op den Burcht het bevel over zijn Franken, en hem kan ik niet van de hand sturen zonder vermoedens te wekken; maar hij zal mij niet kunnen weerstreven. — Ziehier mijn plan: over drie dagen zal een plechtige mis in de Sint-Pieterskerk gevierd worden, waarbij al de Prelaten, die der goede zaak zijn toegedaan, zich zul-