is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

len bevinden. Daar zal ik aan de vergaderde menigte liaar Koning voorstellen, en wij zullen hem tevens huldigen als Keizer van het Westen; mijn volgers en getrouwen, in de kerk verspreid, zullen hem toejuichen, en Luitmar, die zich aldaar bevinden zal, gevangennemen, terwijl Trazamundus met zijn Longobarden den Burcht bezet, welke bij die gelegenheden minder nauw bewaakt wordt. Zoodra de plechtigheid volbracht is, rijden wij de stad rond en roepen op alle pleinen den nieuwen Keizer uit. De weg naar Benevent is vrij: en de Hertog heeft ons slechts krijgsvolk te zenden; wij zullen hen van wapens voorzien. Ziedaar de hoofdtrekken van mijn plan. Morgen zal aan een iegelijk zijn bijzondere taak worden aangewezen."

Het voorstel van den Hertog werd door de aanwezigen toegejuicht: en nadat eenige minbeduidende zwarigheden en bedenkingen waren uit uen weg geruimd, verlieten de eedgenooten het Paleis.

„Welnu!" zeide Adalgizus, toen hij zich met den Hertog alleen bevond: „welk lot bewaart gij voor dien vermetelen Fries?"

„Ik dacht er aan," zeide Bohemund.

„Mjj dunkt," zeide de Prins, zijn voorhoofd op de hem eigene wijze fronsende, „dat er slechts één zeker middel is, om hem te beletten van ons verder hinderlijk te zijn."

„Neen!" zeide Bohemund, het hoofd schuddende: „gij kentmjj: gij weet, dat ik niet terug zou deinzen, wanneer het er op aankwam, iemand uit den weg te ruimen, wiens dood noodzakelijk was; — maar dezen Forteman dat gaat niet."

„En welk bijzonder belang kunt gij in hem stollen?"

„Luister," zeide de Hertog: „en oordeel over mijn verplichtingen jegens hem. Het is nu ongeveer drie jaren geleden: wij waren te Aken den Koning gaan bezoeken en keerden, op een kouden winterdag, door het sombere woud der Ardennen terug: ik, mijn dochter, twee van haar dienstmaagden en een zestal ruiters.' — Het weer was guur, de boomen wit bevroren en de grond zoo hard als een steen. Wij vervolgden op een kleinen draf onzen weg, toen eensklaps, en zonder dat wij de oorzaak begrepen, onze paarden de ooren opstaken, angstig om zich heen snoven, en allen te gelijk aan 't rennen sloegen, met een drift, die ons onverklaarbaar was. \ ruchteloos poogden wij hen in te houden: weerbarstig snelden zij voort met een teugellooze vaart. Eindelijk ontdekten wij de oorzaak, die ons met ijzing vervulde. Een onzer, achter zich omziende, bespeurde van verre iets, dat zich als een zwarte streep op de witte oppervlakte der heirbaan vertoonde, allengskens naderbijkwam en zich eindelijk herkennen Het voor een kudde wolven. Gij weet, hoe uitgevast en woedend die roofdieren in den winter ziin. De geheime natuurdrift onzer paarden had hen op dien afstand hun vervolgers doen ruiken: nu poogden wij, gelijk gij denken kunt, onze getrouwe dieren niet langer in te toornen, maar deden hun de sporen voelen; otschoon hun eigen vrees het gebruik daarvan overtollig maakte. Dan, geen snelheid baatte: de verscheurende dieren wonnen vast op ons en wij konden reeds hun opgesperde kaken onderscheiden. Nergens voor ons uit deed zich eenig toevluchtsoord op, en bet