is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naaste dorp was nog verre verwijderd. Weldra bekwamen wij de schrikkelijke overtuiging, dat wij onmogelijk ontkomen konden. Ik was gewapend, en zoo ook mijn wakkere dienstmannen; maar hoe zouden wij te gelijk ons leven en dat mijner dochter tegen een geheele kudde verdedigen'? Eindelijk, toen de wolven zoo dicht bij ons waren, dat ik reeds hun adem meende te voelen, voerde ik het besluit ten uitvoer, dat ik reeds aan mijn ruiters had medegedeeld. Wij rukten eensklaps onze paarden om, in de hoop, van de wolven te stuiten en aan de vrouwen gelegenheid ter ontkoming te geven. Maar toen ik den eersten wolf neerhieuw, zag ik, dat alleen een twintigtal op onze paarden aanviel, terwijl de overigen de vrouwen navolgden. Onze strijd met de roofdieren was bloedig, maar korter dan ik gedacht had; want dat hongerige gespuis viel even gretig op de lijken hunner zieltogende makkers aan als op ons. Wij ontkwamen en zetteden onzen weg voort; maar geen onzer was ongewond, en ook onze rossen waren deerlijk gehavend. In doodschen angst reden wij verder, schier zonder hoop van een der vrouwen levend terug te zien. Na verloop van eenigan tijd zagen wij weder een deel dier bloeddorstige dieren, vergaderd om een voorwerp, dat zij verscheurden, eu dat door ons voor een der vrouwenpaarden herkend werd. Wat verder lagen van 't lijf gereten vrouwenkleederen: in het bosch, naast den weg, was een andere hoop bezig met een lijk: — en dieper nog in het woud deed zich een dergelijk tooneel aan onze oogen op. Woedend vielen wij aan; maar onze krachten waren niet dezelfde meer, en zoo de wolven bezweken, onze paarden stortten weldra naast hen neer. Wij zagen ons in 't eind genoodzaakt te voet te vechton. Het was een afschuwelijk bloedbad: maar wij bleven overwinnaars: toen ik op dat ijselijke slagveld, niet mijn dochter (want geen lijk was kenbaar meer) maar hare kleederen zocht, herkende ik alleen die van haar Juffers. Ik wist, dat zij het vlugste paard van allen bereed: en mijn hoop herleefde. Wij vervolgden onzen weg; maar al spoedig'hoorden wij weder dat vervaarlijk gehuil, hetwelk ons reeds zooveel schrik had aangejaagd. Ik ijsde! dat was het teeken, dat Araalazwinthe door de roofdieren was ingehaald. Wij verdubbelden onzen spoed; maar niet weinig waren wij verbaasd, toen wij niet haar, maar een kloeken krijgsman zagen, die, met een strijdkolf gewapend, zich verdedigde tegen het overblijfsel der kudde, waarvan hij reeds verscheidenen had neergeslagen. Wij kwamen hem ter hulp en ook hier bleef ons de zege. Nu werd alles opgehelderd. De vreemdeling, die toevallig dezen weg uitreed, had mijn dochter ontmoet, op het oogenblik, dat haar paard amechtig met haar was neergestort, en toen de wolven reeds naderden. Zonder zich te bedenken, had hij haar op het zijne getild, was zelf afgesprongen en had, terwijl zij zich verwijderde, de verslindende dieren stand doen houden. Wij keerden met hem terug naar het dorp, dat hij verlaten had: en vonden daar Amalazwinthe weder. — De naam van dien wakkeren vreemdeling was Forteman."

,Ik vermoedde zulks," zeide Adalgizus, de schouders ophalende.