Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet liever zijn dan de gedachte, dat zij aan Adalgizus boven hem de voorkeur gaf, dat zij in het verraad haars vaders deelde? En aan den anderen kant, kon zij, door in haar weigering te volharden, de oorzaak worden van haars minnaars dood? — Aan welken plicht moest zij gehoor gevenV Deze onzekerheid was schrikkelijk! en niemand om haar raad te geven: niemand, op wien zij vertrouwen kon. — Eindelijk dacht zij aan Graaf Luitmar.

„Ja!" zeide 'zij bij zich zelve: „die voor 't minst is getrouw: hij kan misschien het feit voorkomen en maatregelen nemen om die heillooze onderneming, eer zij uitberst, te doen mislukken: — zoo red ik mijn vader de eer, en Forteman het leven."

Door deze hoop versterkt zette zij zich neder. Gelukkig bezat zij een talent, hetwelk in die dagen verre was van gemeen te zijn. Een geleerde monnik had haar in de schrijfkunst onderwezen: en zij was van het noodige gereedschap voorzien. Met ijver deed zij nu de stift over het perkament gaan, en berichtte aan Graaf Luitmar, wat zij van de voornemens van Adalgizus wist. Haar vader beschuldigde zij niet; maar gaf alleen te kennen, dat het den Graaf niet zou baten, al wilde hij hem over de zaak raadplegen; daar de Hertog, te zeer met den gewaanden Niceforus ingenomen, aan do waarheid

feen geloof wilde hechten, en zelfs Forteman, die hem daarvan bericht ad komen brengen, in boeien had doen slaan.

Amalazwinthe vormde haar letters niet met die vaardigheid, welke een jonge schoone in onze dagen bij dat werk zoude aanbrengen: en het was reeds volkomen nacht geworden, eer zij haar brief ten einde had. Toen gaf zij dien aan haar getrouwe Ritta, met last van hem op 't spoedigst te bezorgen; maar deerlijk was haar teleurstelling, toen Ritta, het vertrek willende verlaten, zich door de aan de deur geplaatste wachters den uitgang beletten zag.

„Nu is alles verloren," zeide Amalazwinthe, wanhopend: „en ik zie geen middel meer, om de ons dreigende rampen te verhoeden." — En, dit zeggende, zag zij met een treurenden Dlik de zwarte slavin aan. die peinzend over haar stond. Opeens klapte deze in de handen en fonkelden haar oogen van blijdschap over het denkbeeld, dat bij haar was opgekomen: en eer de Jonkvrouw haar had kunnen vragen wat haar voornemen was, had zij het raam reeds geopend, blikte naar beneden, keerde toen snel terug, knoopte eenige sluiers aan elkander en wees aan haar meesteres, dat zij langs dien weg het Paleis verlaten zou. Ofschoon niet zonder eenige bekommering over den goeden uitslag, stond Amalazwinthe eindelijk het waagstuk toe. De duisternis van den nacht begunstigde het plan van Ritta: en deze, na de vervaardigde koord aan de scharnieren van het vensterluik te hebben vastgemaakt, begaf zich naar buiten, terwijl Amalazwinthe haar angstig nastaarde en het bewonderde, hoe behendig zij, in het nederdalen, van elke vooruitspringende lijst, van het snijwerk der kapiteelen, in 'tkort van alles waar een voet op steunen of een hand zich aan vast klemmen kon, partij wist te trekken, totdat zij eindelijk behouden op den grond stond, het toeken gaf van de koord we Ier in te halen, en in de duisternis verdween.

Sluiten