is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Graal Luitmar was op het punt van zich naar zijn legerstede te begeven, toen een zijner krijgsknechten hem het bericht kwam brengen, dat de zwarte slavin der Jonkvrouw zich aan de wacht had aangemeld en, zooveel men uit haar teekentaai verstaan kon, te kennen had gegeven, dat zij hem verlangde te spreken. Verwonderd doch wellicht innerlijk gestreeld door het denkbeeld, dat de schoone Amalazwinthe hem op zulk een geheimzinnige wijze een bericht toezond, gelastte hij dat men de slavin tot hem zou geleiden. Dit geschiedde, en Ritta, den brief uit haar boezem halende, stelde he;n dien ter hand.

De goede Graaf, zonder het perkament te openen, bekeek het van alle zjjden, als had zulks hem kunnen helpen, om den inhoud te verstaan. Toen zag hij Ritta aan, alsof zij het geheim van den brief ontraadselen kon; maar uit haar zwarte tronie bekwam hij niet veel meer licht: vervolgens bekeek hij den brief weder; en eindelijk rondom zich heen ziende, vroeg hij: „is er dan niemand hier aan den Burcht, die mij dat schrift ontcijferen kan?"

De aanwezige krijgsknechten zagen elkander aan, bekeken insgelijks den briet en Ritta, haalden de schouders op en betuigden toen allen, niet te gelooven, dat er iemand onder de bezetting was, die het zooverre gebracht had, dat hij lezen kon.

„Gij zijt allen domkoppen!" bromde Luitmar, zonder in aanmerking te nemen dat hij te dezen opzichte niets boven hen vooruit had: „maar!"' riep hij eensklaps uit: „gij kunt voor geen anderen instaan. Zoekt den Burcht rond, en keert niet terug voor gij iemand gevonden hebt, die in staat is ons voort te helpen."

„Baat dat niet," zeide Luitmar bij zich zeiven, toen de wapenknechten vertrokken waren, „dan moet ik naar de stad zenden om een klerk of monnik; maar ik wilde liever, dat men hier iemand vinden kon; want er schijnt iets geheimzinnigs achter te schuilen, en hoe minder dit openbaar wordt, hoe beter."

Wij moeten hier in 't voorbijgaan aanmerken, dat Forteman, toen hij aan den Burcht aankwam, door Okko was vergezeld geweest, en dezen aldaar met de paarden had achtergelaten, toen liij zich naar hot l'aleis begaf om Adalgizus te zoeken. — Okko had den dag vroolijk doorgebracht in het gezelschap van de krijgsknechten der bezetting, zonder zich te verontrusten over het wegblijven van Forteman, dien hij veronderstelde dat door den Hertog was te gast gehouden: en nog zat hij bij den wijnkroes, toen hij een hoofd gewaarwerd, dat even van achter de deur te voorschijn kwam met ue vraag:

„Is hier binnen ook iemand, die lezen kan?"

„Tegenwoordig!" antwoordde Okko, haastig opstaande, terwijl de overigen hem met verbazing, ja met een soort van eerbied aanstaarden.

„Volg mij dan terstond naar den Graaf," zeide de vrager, op deze blijde tijding de deur geheel openende: en spoedig stond Okko in tewoordigheid van Luitmar.

„Kunt gij waarachtig lezen?" vroeg deze, niet weinig verheugd.