Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

.Denkt gij, dat ik mijn schooltijd geheel heb verbeuzeld?" vroeg Okko op zijn beurt: „neen voorwaar! al stond mij het stilzitten op die houten banken tegen, ik heb er toch iets van medegedragen.

„Nu, wij zullen zien," zeide de Graaf: „Gaat heen, gij allen! Gij hebt toch niets met de zaak te maken: — en weet gij wat, neemt dat zwarte gezicht met u en geeft haar wat te drinken; — maar geen gekheden mot haar maken, verstaat gij?"

„De Hemel beware ons!" antwoordden de krijgsknechten, terwijl zij met Ritta vertrokken, al lachende over de veronderstelling van den Graaf.

„Ziedaar, vriend! daar hebt gij nu het perkament, waar gij uw proefstuk op doen moet," zeide Luitmar, terwijl hij den brief aan Okko overhandigde; „en gij zult een goed drinkgeld hebben, indien gij er u doorredt; maar één ding moet ik u zeggen: indien gij ooit iets van hetgeen gij vernemen zult over uw lippen laat gaan, sla ik u de hersens in, al stond uw Heer naast u om het te beletten."

„'t Is altijd goed, gewaarschuwd te zijn," zeide Okko: „en ik zal van nu af een ijzeren kap gaan dragen; — maar wees gerust, heer Graaf! ik ben, Goddank! geen babbelaar; — anders zou ik ook voorwaar al vreemde dingen te vertellen hebben, waar u de haren van zouden te berge rijzen; — maar genoeg, ik ga lezen."

Niet weinig was Luitmar verbaasd, toen hij de berichten vernam, in den brief van Amalazwinthe vervat, en welke Okko, onder 't voorlezen, nu eens door een glimlach, dan weder door een hoofdknik bevestigde, die zooveel zeiden als: „dat heb ik alles al lang geweten." Maar opeens ontstelde de goede schildknaap zelf, toen hij aan de plaats kwam, waar de inhechtenisneming van Forteman werd medegedeeld.

„Bij den baard van Radbout!" riep hij: „dat is te grof! Dat de Satan dien Hertog hale! — Forteman voor een bedrieger aan te zien! — Ik wil mijn leven lang een monnik zijn, indien die Hertog zelf niet met den vijand heult.

.Stil!" zeide Luitmar, die, opgestaan zijnde, het vertrek driftig op en neder liep: „gij zijt misschien dichter bij de waarheid dan

fij geloofd. Ja!" mompelde hij bij zich zeiven: „ik bedrieg mij niet. rins Pepijn beminde Amalazwinthe, en Bohemund poogde een huwelijk tusschen hen tot stand te brengen. — Maar de Koning had het plan ingezien, en stelde den Hertog tot zijn Stedehouder aan te Rome, met het bevel er bij, dat de Jonkvrouw in het Vaticaan zoude blijven. — Bohemund heeft die vernietiging zijner plannen niet vergeten. Alles toont mij zonneklaar, dat hij zeer wel wist, wien hij hier huisvestte; men draait hem ook geen rad voor de oogen. Kn dan die Trazamundus, die nog altijd in zijn gunst deelt, niettegenstaande mijn waarschuwingen! — Maar over drie dagen reeds de kroning! — Zij schijnen dus wel zeker van hun zaak. — Bij al de Heiligen van het Paradijs! er schiet ook niet veel tijd over om een spaak in het wiel te steken. — Maar zeg mij, goede wapentuur! gij schuddet daar even zoo geheimzinnig het hoofd. Wist gn' iets meer van de zaak af?"

Sluiten