Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dezen het geschrift overluid voorlozen. Het was met de kennelijke hand van hginhard, des Konings geheimschrijver, geschreven en nam allen twijfel weg.

„Welk een slag!" zeide Bohemund, die, op dit oogenblik al zijn vermeende redenen van ongenoegen vergetende, alleen aan Kareis groote daden dacht: „en wie zal ooit waardiglijk zijn plaats kunnen bekleeden?"

„Dat zal ik," zeide Adalgizus, voor den dag stappende.

Izalik zag den jongeling zijdelings aan, en een spotachtige, schier onmerkbare lach zweefde op zijn Rppen. Bohemund wierp een snellen blik op Adalgizus, haalde de schouders op en bleet zonder te spreken, de ka ner op- en nedergaan.

„Gij kent mij, Izaiik Ben Manasse?" vervolgde de Prins: „wij hebben menig uur te Konstantinopel te zamen doorgebracht. — Gij zult u dit wel herinneren, nietwaar?"

„Ik kan het niet gemakkelijk vergeten," antwoordde Izaak: „want aan den tulband des Khalifs prijken drie juweelen, die ik van u in pand heb genomen voor eenige gelden, u Dij mijn laatst verblijf geschoten, en die het u nooit gelegen kwam te betalen."

„Hoo!" riep Adalgizus: „gij hebt die juweelen aan den Khalif verkocht? en dat op een tijdstip, waarin ik die lossen konde! en u het geleende met woeker teruggeven? — Maar ik neem het u niet kwalijk, goede Izaak! Luister!" vervolgde hij, hem vertrouwelijk bij den arm nemende: „ik wil u iets verhalen: — gij kunt mij een dienst bewijzen: en het zal u niet onvoordeelig zijn. Ik ben hier in Italië gekomen om mijn rechten op de kroon van Lombardije te doen gelden, en sta reeds nu aan het hoofd eener sterke partij. De dood van Karei zal die vermeerderen: met hem is de tooverkracht zijns naams ten grave gegaan: zijn zonen hebben den kloeken geest van hun vader niet overgeërfd: en Italië zal gewillig onder de neerschappij van zijn wettigen Vorst terugkeeren: — ja, ten einde een nieuwe luister mijne regeering omgeve, herstellen wij het Westersche Keizerrijk en sier ik mijn slapen met den diadeem der Cesars."

„Pas op, dat hij u maar niet te zwaar worde," zeide Izaak: „herinner u, dat Keizer Leo aan het gewicht van den zijnen gestorven is."

„Gij schertst, mijn beste Izaak," vervolgde Adalgizus: „maar luister: hoogen prijs zou ik er op stellen, indien de Khalif mijn bondgenoot wilde zijn, en ik wil te voren de voorwaarden goedkeuren, welke hij aan zijn vriendschap hechten zal. Tracht hem daartoe over te halen, en gij zult bevinden, dat Adalgizus niet ondankbaar is."

„Prins!" zeide de Gezant, bedenkelijk het hoofd schuddende: „ik hoor daar vreemde zaken, die mij in een niet geringe verlegenheid brengen. Mijn zending was aan Karei: en ik mag geen partij kiezen in de tweespalt, die ik voorzie, zonder nadere bevelen van de Porte te ontvangen. Gij weet, dat de Khalif lange armen en een koord aan zijn boog heeft."

„Uw last," hernam Adalgizus, „luidde aan den Koning van het Westen. Welnu! op morgen zal ik dien rang bekleeden."

Sluiten