is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Op morgen?" herhaalde Izaük, hem met een ongeloovigen blik aanstarende.

,Op morgen word ik in de kerk van Sint-Pieter gekroond. Schenk mij aldaar uw tegenwoordigheid. Dit kunt gij doen, zonder dat men u zulks euvel duide. Gjj behoeft evenmin als het volk, dat er bijeenkomt, te weten wat er gebeuren moet, en het zal gewis een goeden indruk op de menigte doen, indien men u daar opmerkt en het gevolg er uit trekt, dat de Khalif mijn aanspraken erkent.''

Terwijl de listige Izafik veinsde, nog tot geen besluit te kunnen komen en Adalgizus hem met nieuwe redeneeringen en beloften zocht over te nalen, trad de Hertog wederom tot hen. Zijn seest had in dien korten tijd een geheelen kring van overdenkingen doorloopen. Hij was in het eerste oogenblik er op bedacht geweest, het

tansche ontwerp weder te laten varen; want met den dood van arel was zijn wraakzucht geweken, of althans zonder doel geworden, en voor Adalgizus was zijn achting in de laatste dagen niet vermeerderd. Langzamerhand eenter was hij tot een andere slotsom gekomen. Noch Pepijn, noch Lodewijk, noeli een van Kareis zonen, was in staat de plaats zijns vaders te bekleeden en diens roem te handhaven. — Adalgizus, wel is waar, was evenmin den schepter waardig; maar de laatste zou van hem afhangen: Bohemund zou hem regeeren, gelijk de voorzaten van Karei hunne meesters geregeerd hadden: en het gevolg daarvan zou zijn, dat de Longobard slechts in naam, hjj metterdaad den staf zou voeren. Deze laatste bedenking had thans de overhand gekregen en hem doen besluiten, niets in net gemaakte plan te veranderen. Met dit voornemen trad hij wederom Dij den Prins, voegde zijn pogingen bij die van Adal-

fizus, om IzaiiK over te halen aan den wensch van dezen te voloen en ontving eindelijk de toezegging, dat de Gezanten zich den volgenden morgen in de Sint-Pieterskerk zouden bevinden. Intusschen werden nun en hun gevolg dezelfde verblijfplaatsen aangewezen, welke zij bij hun vroeger bezoek hadden betrokken.

Terwijl dit alles voorviel, bracht Forteman in den kerker, gelijk men denken kan, geen aangename uren door. Hij was door zijn wachters in een der gevangenissen gebracht, welke zich in de gewelven van het Paleis bevond en geen licht ontving, dan door een luchtgat, met een ijzeren bout voorzien, hetwelk uitkwam op het binnenplein.

In de eerste oogenblikken had hij zich nog gevleid, dat zijn inhechtenisneming alleen het gevolg was van een misverstand, en dat de Hertog, beter ingelicht, hem in vrijhoid zou doen stellen, maar toen Urbaan, die hem de spijzen bracht, en wien hij de roden zijner komst aan het Vaticaan nader verklaarde, hem te kennen gaf, dat de Hertog zeer wel van al wat hij zeide bewust was, kenden zijn teleurstelling en gramschap geen palen: vreeselijk folterde hem nu het dankbeeld, niet slechts dat men zijn Koning verraadde en listige oat werpen tegen Karei smeedde, zonder dat hij in staat was, zulks U) beletten: —maar ook, dat Amalazwinthe zelve haar

vroegere liefde 'vergeten, en, om den wille van den Longobard, hem

*******