Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

teraan te redden; maar hij besefte de onmogelijkheid om bij het luchtgat te komen en den bout er uit te rukken, daar een muurtje met een ijzeren hek voorzien zich tusschen hem en de opening verhief. Opeens kwam het denkbeeld bij hem op, dat wellicht de olifant hem behulpzaam zijn kon, en zich tot den geleider wendende, zeide hij:

„Dat dier heeft nogal kracht in zijn snuit, nietwaar?"

„Palen omrukken, boomen uittrekken, menschen doodslaan," antwoordde de Arabier in zijn gebroken taal.

,Ik wed, dat hij dien ijzeren bout niet losrukt," zeide Okko.

„Niets hier vernielen — Izaiik Ben Manasse toornig zijn — mij straffen."

„Izaiik zal u niet straffen, mijn goede Moor! — Daarbinnen zit mijn neef, een vriend van Koning Karei, gevangen! dien moeten wjj verlossen. Koning Karei zal u beloonen."

Ofschoon inet eenigen tegenzin, liet de Arabier zich eindelijk door Okko overhalen: en, een eind touw in de hand nemende, raakte hij er bij herhaling den ijzeren bout mede aan. Het schrandere dier begreep den wenk, en, den kop vooruitstekende, volbracht het zonder veel inspanning het feit, dat door Forteman aan een slang was toegeschreven geworden.

XIV.

Ofschoon de kerk, ter eere van den Apostel Petrus door Konstantijn den Grooten gesticht, niet in luister kon halen bij het wonderwerk van Michel Angelo's scheppend genie, dat later ongeveer terzelfder plaatse opgericht werd, bekleedde zij echter onder de toen aanwezige tempels een onderscheidende plaats, zoo door de ruimte van haar omtrek als door den rijkdom van kunstgewrochten en gewijde overblijfsels, welke daarbinnen verzameld waren. Merkwaardig waren vooral het voorportaal en het koor: het eerste, door Paus Sergius met kostbaar marmer bekleed, en bovendien met de geschilderde beelden prijkende der Heilige Vaderen, die de zes voornaamste Kerkvergaderingen hadden bestierd: het koor, door geen hekwerk afgesloten, maar omringd door de kolossale standbeelden der twaalf Apostelen en het graf des Heiligen bevattende, aan wien het gebouw was toegewijd. Boven dat graf verhief zich een kruis van louter goud, ter waarde van honderd vijftig ponden, en daarvoor het hoofdaltaar, bedekt met ontelbare gouden en zilveren vaten, kandelaren en kelken. Tusschen de standbeelden in waren de gestoelten der Bisschoppen, in marmer uitgehouwen, en daarachter rezen de zitplaatsen voor de Kerkvoogden van minderen rang bestemd, terwijl aan weerszijden van het outer de zetels stonden, door de leden van het Keizerlijk huis en door den Heiligen Vader bekleed.

a. w. VII 7

Sluiten