is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Reeds vroeg in den morgen van den grooten dag, tot- de plechtigheid bestemd, was het ruim der kerk door een talrijke schaar bezet en verdrong men zich aan alle hoeken, ten einde eene plaats te bekomen, van waar men alles goed kon overzien. Maar het was meer dan een bloote nieuwsgierigheid, welke men op de gelaatstrekken van velen bespeurde. Donkere en onrustige blikken, een stil gefluister, onmerkbare handdrukken, vluchtige wenken in 't voorbijgaan, gaven in verschillende hoeken van het gebouw te kennen, dat het eind van den dag een meer gewichtig gevolg hebben zou dan alleen het vieren eener godsdienstige plechtigheid: en, naarmate de tijd vorderde, begonnen sommigen der aanwezigen met minder achterhoudendheid van hun geheim doel te gewagen.

„Denk er nu aan," zeide een groote ruwe leekebroeder van het klooster van Sint-Erasmus tot zijn buren: „op het oogenblik wanneer ik mijn hand omhooghef, luidkeels te roepen: leve Adalgizus Augustus!"

„Zal hij dan werkelijk heden gekroond worden?" vroeg een der bijstanders.

„Ontwijfelbaar. De Frank is dood: en wij zullen weer een eigen Keizer hebben."

„En de eerste daad van den nieuwen Keizer zal voorzeker zijn, Paschalis tot Paus te benoemen," zeide een ander.

„Ik dacht," hernam een vierde spreker, die het gewaad van een Scholier droeg, „dat dit een onvervreemdbaar recht was van de Romeinsche burgerij.-'

„Welnu!" antwoordde de leekebroeder: „de burgerij zal kiezen en de Keizer de keus bevestigen."

„En zal dit alles zoo zonder tegenstand geschieden?" vroeg de Scholier.

„En wie zou het beletten?"

.Wie? — wel mij dunkt, wanneer ik zoo rondzie, bemerk ik er velen, die weinig met den Longobard of Paschalis gediend zouden zijn."

„Wij zullen hen overschreeuwen of tot zwijgen brengen," hernam de leekebroeder: „maar, mij dunkt, ik heb u meer gezien, goede vriend."

„Licht mogelijk!" zeide de Scholier: „uw gelaat komt mij ook niet vreemd voor: gij waart, geloof ik, tegenwoordig, toen Paus Leo voor Sint-Sylvester gewond werd."

„Ja voorwaar, daar was ik," zeide de leekebroeder, „en ik schroom niet te zeggen, dat hij wel dadelijk naar de andere wereld ware gestuurd, indien die vermaledijde Fries zich niet zoo te onpas in de zaak gemengd had."

„Zoo ja! nu herinner ik het mij: zijn vuist kwam niet zacht op uwen kalen schedel te land. Jammer maar, dat gij weer opgestaan zijt; maar wel zegt men, dat onkruid niet vergaat.

En met deze woorden verloor de Scholier, die niemand anders was dan onze vriend Okko, die zich 's morgens weder, om redenen, bij zijn oude makkers had gevoegd, zich in de menigte.