is toegevoegd aan uw favorieten.

De Friezen te Rome

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trouw verzekerde. Hij besloot zijn reden met den H. Vader te smeeken, de wenschen des Romeinachen volks, hetwelk een machtigen beschermer behoefde en verlangde, te vervullen en den grooten Koning Karei tot Keizer van net Westersche Rijk plechtig in te wijden. — Nauwelijks was dit verzoek gedaan of een der diakenen lichtte een sluier op, waaronder de Keizerskroon, de Rijksappel en Sclieptor en de overige voor Adalgizus bestemde regalia verborgen lagen. De Paus rees weder van zijn zetel, en Karei knielde op net kussen neder, door twee ouderlingen aangebracht, waarop de plechtigheid een aanvang nam. Elk der geestelijke Heeren was op zijn post: en schoon hij dien ten behoeve van een anderen dan hij gedacht had waarnam, gaf niet een van hen eenig bink, dat hij zijn taak met tegenzin vervulde: en toen ten lesten de Paus aan Karei den diadeem op het hoofd zette en hem tot Keizer der Romeinen verklaarde, stemden zij tot driewerf toe met het volk in den luiden jubelkreet: «leve Carolus Augustus! zege zij den grooten, den machtigen Keizer!"

En noe gedroeg zich intusschen de fiere Hertog van Ferrara? Als verplet was hij een wijl voor het aangezicht van zijn zwaar beleedigaen meester blijven staan; want alles scheen hem een droom toe: hij was onbekwaam tot handelen, tot spreken, zelfs tot denken. Met een bezorgden, angstvollen blik had zijn dochter hem gadegeslagen, met nauwelijks hoorbare stappen had zij haar zitplaats verlaten en was naar hem toegetreden. Zij omhelsde hem, nam hem bij de hand en geleidde hem als een kind naar zijn gestoelte terug, waar hij roerloos en zonder te letten op hetgeen om hem heen plaats had. zitten bleef.

«Hertog van Ferrara!" zeide des Keizers Hofmeester Meginfrid, hem na den afloop der plechtigheid op den arm tikkende: „de Keizer wacht u op het middagmaal."

Prachtig was het feest, dien dag aan het Paleis voor Adalgizus bereid en aan Karei gegeven: en geen nieuwe opschudding kwam het storen; want Luitmar had, zoodra de Kerkdienst was aangevangen, den Burcht doen sluiten en do pogingen van Trazamundus om dien, volgens des Hertogen last, te vermeesteren, daardoor verijdeld: de Hertog van Nepi was inet de zijnen op het Vaticaan teruggekeerd: en de aanhangers van Adalgizus, ziende dat zijn zaak verloren was, waren spoedig tot Karei overgezwenkt, aan wien zij, 't luidst van allen, hun verknochtheid betuigden.

Het maal was afgeloopen, zonder dat Karei aan een dor eedgenooten eenig verwijt had doen hooren. Toen riep hij Bohemund tot zich in het naaste vertrek.

„En dacht gij inderdaad," zeide hij tot den Hertog, dio somber en zwijgend voor hem stond, „dat die verwijfde knaap mij zou kunnen vervangen? — dat de staf, die zoo zwaar in mijn handen weegt, zijn gewicht zou verloren hebben in zijn handen, of liever in de uwe? — want ik vermoed, dat gij meer op uwe regeerkunst rekendet dan op de zijne. — Wie is hij? en wat heeft hij verricht, dat hem de kroon zou waardig maken? — welke groote hoedanig-