Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een „piah k<y', een soort tambourijn, van paardehuid, en een grootere trommel, die van boven en van onderen is bespannen met ossehuid, „t'ong kó".

De violensoort heeft één viool van hout, „kónga hiên", met twee snaren, en één kleinere — hö : twee tweede violen — dsi hiên —; een „gi hoê" — tokkelinstrument, gelijkende op een cither; een „sam hiên, viool met drie snaren, en een „pak pê", een zeer groot, rond, viersnarig bord, waarop met trommelstokjes wordt getokkeld. Klke vioolsnaar geeft vier tonen. De snaren zijn gemaakt van de slijmerige draden, die slakken achterlaten.

De blaasinstrumenten zijn twee dwarsfluitjes, „p'in a", en twee lange fluiten, „tóng siao", twee klarinetten, groote, „toa ts'e", en twee kleinere, „sio ts'e", De troepen van Si Dzin Kui staan er tegenover, een groot, erg gecompliceerd instrument, „sing", van meer dan twintig fluitjes, uitkomend in ét'ne opening; dit is het moeielijkst te bespelen van allen, en weinige longen kunnen er lang tegen.

Dit en de eerste vier instrumenten zijn geheel van bamboe. De klarinetten zijn half koper half hout. Verder is er een paar lange horens, die worden uiten ingeschoven als schuiftrompetten, en zeer lange, donkersombere geluiden geven, ho t'aö.

Daar er slechts acht muzikanten zijn, kunnen al

4

Sluiten